Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Gewone grootoorvleermuis

Gewone grootoorvleermuis | Plecotus auritus

Brown long-eared bat | Orejudo Dorado

De gewone grootoorvleermuis is de noordelijkst verspreide van de zeven Plecotus-soorten in het gidsgebied: van Ierland en Zuid-Scandinavië tot de Oeral en de Kaukasus, met in het zuiden een aparte ondersoort in Midden- en Zuidwest-Iberië. De oren zijn 29 tot 35 mm lang, bijna zo lang als kop en romp samen (39 tot 46 mm); de onderarm meet 35,5 tot 42,8 mm en het gewicht is 6 tot 9 gram. Het is een bosvleermuis die haar prooi zowel in de vlucht vangt als van bladeren en takken afpakt, en die in kerkzolders, huizen, boomholten en vleermuiskasten verblijft.

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Foto: Klaus Krahn — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het duidelijkste spoor zijn vraatplaatsen: grote prooien worden naar een vaste zitplek gebracht, bijvoorbeeld een balk in een schuur, een portaal of een kerkzolder, en daaronder liggen afgebeten vleugels van nachtvlinders naast keutels. In zomerverblijven op zolders hangen de dieren vaak in de nok of in spleten tussen balken; kolonies zijn klein en worden daardoor vaak niet opgemerkt. In boomholten en vleermuiskasten wisselen kolonies elke één tot vijf dagen van verblijf, binnen een straal van ongeveer 100 m. In de winter hangen de dieren alleen of in kleine groepjes in grotten, mijnen, kelders, bunkers, rotsspleten, houtstapels en holle bomen, vaak vrij tegen de wand met de oren onder de vleugels. Op de batdetector klinken de roepen als zachte, droge tikken; door de lage geluidssterkte wordt de soort bij akoestisch onderzoek ondervertegenwoordigd.

Herkenning

Een middelgrote vleermuis met zeer lange oren (29–35 mm) die boven het voorhoofd met een huidplooi aan elkaar vastzitten. De rugvacht is lang en wollig, bruin met een roodachtige tint; de buikzijde is korter behaard, geelachtig tot crème. Het gezicht is lichtbruin tot crème, zonder donker masker; oren en tragus hebben dezelfde kleur als het gezicht. De vleugels zijn breed. Duim, klauwen en voeten zijn groot en relatief lang behaard; de duim is langer dan 6,5 mm en sterk gebogen. Onder de onderlip ligt een bananenvormig, niet driehoekig kinkussentje. Een dier in rust vouwt de oren naar achteren onder de vleugels, zodat alleen de lancetvormige tragus nog uitsteekt. De vlucht is langzaam en zeer wendbaar, met korte momenten van stilhangen dicht bij bladeren. De echolocatie bestaat uit korte frequentiegemoduleerde pulsen met meestal twee duidelijke harmonischen: de eerste met de meeste energie bij 25 tot 30 kHz, de tweede bij 50 tot 60 kHz. De pulsen worden door de mond of de neus uitgezonden en zijn zwak; op een detector is het dier vaak pas op enkele meters hoorbaar. Chromosomen 2n = 32.

Gelijkende soorten

Binnen het geslacht is de determinatie in het veld zelden sluitend; de roep scheidt Plecotus van andere geslachten, maar niet de soorten onderling. De grijze grootoorvleermuis (P. austriacus) heeft een donker gezichtsmasker met een lange donkere snuit, een grijzere rug, een witachtige buik, een brede tragus (meer dan 5,5 mm breed en meer dan 14 mm lang), een duim korter dan 6,5 mm en kaal ogende voeten; de penis is aan het eind knotsvormig verbreed, bij de gewone grootoorvleermuis loopt hij naar het eind toe smal toe. De berggrootoorvleermuis (P. macrobullaris) heeft net zo'n lange, gebogen duim met lange klauwen, maar een omgekeerd driehoekig kinkussentje, een bruin masker van mond tot achter de ogen, een witachtige keel en een cilindrische penis; in de Alpen en Pyreneeën vliegen beide soorten naast elkaar. Plecotus kolombatovici in de Adriatische en Egeïsche kuststreek is kleiner (onderarm 36–39 mm), heeft een tragus korter dan 14 mm, korte klauwen en een gezicht en kin die bijna helemaal behaard zijn. Op Sardinië komt daarnaast de Sardijnse grootoorvleermuis (P. sardus) voor, met een tragus van meer dan 18 mm. De mopsvleermuis (Barbastella barbastellus) heeft eveneens oren die boven de kop verbonden zijn, maar ze zijn kort, breed en zwart. Waar meer Plecotus-soorten samen voorkomen, is een zekere determinatie alleen met een combinatie van maten aan een dier in de hand of met DNA te verkrijgen; met acht lichaamsmaten werd in Zwitserland 97,5 procent van de dieren juist ingedeeld.

Leefgebied

In het noorden vooral loof-, naald- en gemengd bos, in het zuiden ook open terrein en boerenland; daarnaast parken, tuinen, heggen en bosranden in dorpen en steden. De soort is vastgesteld in dennen-, beuken- en eikenbos van vrijwel zeeniveau tot boven 2000 m. Bos en heggen worden als jachtgebied boven andere terreinen verkozen, en een dier keert vaak naar dezelfde plekken terug; open terrein wordt volgens sommige auteurs gemeden. Zomerverblijven liggen in warme ruimten: zolders, kerken, oude gebouwen, boomholten en vleermuiskasten. Winterverblijven hebben een temperatuur van 3 tot 7 °C.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het grootste deel van Europa: Ierland en Groot-Brittannië, het noorden van het Iberisch Schiereiland, Sardinië, Zuid-Scandinavië en Zuid-Finland, oostwaarts door Rusland tot de Oeral en de Kaukasus. De nominaatvorm P. a. auritus bewoont dat hele gebied; P. a. begognae (de Paz, 1994), iets groter, komt voor in het midden en zuidwesten van het Iberisch Schiereiland. Populaties verder oostelijk in Azië, vroeger tot deze soort gerekend, worden nu als aparte soorten beschouwd. Aan de zuidrand van het areaal, langs de Middellandse Zee, is de soort schaarser en lokaal zeldzaam.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De dieren vliegen laat uit, gewoonlijk ongeveer een uur na zonsondergang, en jagen de hele nacht. Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders, met uilen als grootste groep, aangevuld met tweevleugeligen, sprinkhanen en niet-vliegende geleedpotigen: duizendpoten, spinnen, hooiwagens, oorwormen en rupsen. De soort jaagt in de vlucht en door prooien van bladeren en takken te plukken (gleaning); zij vindt prooi ook door te luisteren naar het gefladder van vlinders en met het oog, en het jachtsucces is het hoogst wanneer gehoor, echolocatie en zicht samen beschikbaar zijn. Vrouwtjes vormen kraamkolonies van 5 tot 50, zelden meer dan 100 dieren; mannetjes leven meestal alleen. Eind juni worden 1 of 2 jongen geboren, die na zes weken vliegen; geslachtsrijpheid volgt in het eerste of tweede jaar. In de herfst, en soms in het voorjaar, zwermen de dieren bij grotten en mijnen. De winter wordt in winterslaap doorgebracht. De soort geldt als honkvast; de grootste gemeten verplaatsing is ongeveer 90 km, in Duitsland.

Waar en wanneer kijken

Zoek op kerkzolders en in schuren naar vlinderresten onder een balk; in de schemering, ongeveer een uur na zonsondergang, vliegen de dieren langs de gevel of een boomrij uit. Met een batdetector hoor je een grootoorvleermuis alleen op korte afstand; een warmtebeeldcamera of een lamp met rood licht laat de lange oren in de vlucht zien. Wil je de soort zeker weten, dan zijn de kleur van het gezicht, de breedte van de tragus en de lengte van de duim de kenmerken om op te letten; daarvoor moet het dier in de hand worden gehouden, wat alleen met een vergunning mag.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) volgens de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2023. De soort is wijdverbreid en algemeen, vooral in Midden-Europa. Aan de randen van het areaal, zoals langs de Middellandse Zee, is zij minder talrijk of lokaal zeldzaam, en in Turkije neemt zij waarschijnlijk af. Genoemde oorzaken zijn verlies van leefgebied, het verdwijnen van oud en natuurlijk bos en het kappen van oude verblijfbomen bij houtwinning. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.

Wetenschappelijke naam

Plecotus auritus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vespertilio auritus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. auritus is Latijn voor 'langoorig', bij auris 'oor', naar de oren die bijna zo lang zijn als het dier zelf. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland, Berlijn.