Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Kleine rosse woelmuis
Kleine rosse woelmuis | Clethrionomys rutilus
Northern red-backed vole | Myodes rutilus
De kleine rosse woelmuis (Clethrionomys rutilus) behoort tot de rosse woelmuizen, hetzelfde geslacht als de rosse woelmuis, en niet tot de veldmuizen van het geslacht Microtus, waarnaast de soort in de literatuur lang is ingedeeld. Ze is het algemeenste bosknaagdier van taiga en toendra, van Fins Lapland tot Kamtsjatka en via de Beringstraat tot in Alaska en Canada. Het areaal beslaat ongeveer achttien en een half miljoen vierkante kilometer, een van de grootste van alle woelmuizen. In Europa is de soort beperkt tot het hoge noorden.
Sporen
De soort leeft aan de oppervlakte, en de sporen liggen op de zode, niet eronder. In naaldbos gaat het om smalle wissels van drie tot vier centimeter breed onder wortelkluiten, omgevallen stammen en dwergstruiken, en om ronde gaten van drie tot vier centimeter aan een boomvoet, tussen stenen of aan de rand van een mosbult. Het meest kenmerkende spoor ontstaat onder de sneeuw: 's winters graaft het dier lange gangen in de sneeuwlaag, tegen de bodem, en na de sneeuwsmelt in mei liggen die als strengen van gevlochten gras en mos op de bosbodem, met daartussen de bolvormige winternesten van gras, mos en korstmos, ongeveer vuistgroot, die 's winters in de sneeuwlaag lagen. Verder zijn er afgebeten bosbes- en kraaiheidestengels, geschilde twijgen van dwergberk en wilg en in het najaar aangevreten paddenstoelen op stronken en in het mos. Knaagsporen aan bast zitten bij deze soort vaak boven de sneeuwlijn, omdat het dier tot twee meter hoog in bomen en struiken klimt. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, donkergroen tot zwart, en liggen in kleine hoopjes langs de wissel en bij het nest. Onder roestplaatsen van ruigpootuil, sperweruil en laplanduil is dit in de taiga vaak de talrijkste prooisoort in de braakballen.
De kop van dichtbij

Herkenning
Een kleine, gedrongen woelmuis met een helder roestrode rugstreep die scherp afsteekt tegen grijze flanken en een grijswitte buik. De rugmantel is helderder en zuiverder rood dan bij de rosse woelmuis, en de grens met de flank is scherper. De kop-romplengte is 8,5 tot 12,3 cm, de staart 2,1 tot 5 cm, ongeveer een derde van de kop-romplengte en daarmee korter dan bij de rosse woelmuis; de staart is scherp tweekleurig, donker boven en wit onder, met een korte eindkwast. De oren steken duidelijk boven de vacht uit en de ogen zijn groot, kenmerken van een woelmuis die bovengronds leeft en klimt. De wintervacht is dichter en langer dan de zomervacht, waardoor het dier zwaarder oogt. Vrouwtjes hebben acht tepels in vier paren.
Gelijkende soorten
De rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) komt in heel Fennoscandië samen met de kleine rosse woelmuis voor en wordt er het vaakst mee verward: ze is doorgaans iets groter, kastanjebruin in plaats van helderrood, met een minder scherpe grens tussen rug en flank, en heeft een langere staart, ongeveer de helft van de kop-romplengte. In het noorden is de staartlengte het bruikbaarste verschil. De grijze rosse woelmuis (Craseomys rufocanus) is duidelijk groter en grover gebouwd, grijzer op de flanken en heeft een smalle rode rugmantel op een verder grijs lichaam; ze leeft in dezelfde Scandinavische berkenbossen. In Lapland komen verder de bosleming (Myopus schisticolor) voor, leigrijs met een roestrode zadelvlek en een zeer korte staart, en de Noorse lemming, geel met zwart gevlekt. Naamgeving: de Mammal Diversity Database plaatst de rosse woelmuizen weer in Clethrionomys; in veel bestanden, waaronder GBIF, staat nog Myodes. Het gaat om dezelfde soorten.
Leefgebied
Taiga en de aangrenzende continentale toendra, en daarbinnen vrijwel elk bosstadium: sparren-, dennen- en lariksbos, berken- en gemengd bos, kapvlakten en jonge aanplant, moerasbos en veenranden. In de toendra is de soort gebonden aan struikzones en open lariks- en berkenbos. Een voorwaarde is een dikke laag mos, korstmos en strooisel met dood hout, die dekking, voedsel en winterverblijf biedt. In de Altaj komt ze voor tot 2300 meter. Kaal, kortgegraasd grasland wordt gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Noord- en Oost-Fennoscandië oostwaarts door Noord-Rusland en Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin en Hokkaido, en via de Beringstraat tot in Alaska en Noord-Canada; zuidwaarts tot Noord-Kazachstan, Mongolië en Noord-China. In Europa omvat het areaal Fins Lapland, Noord-Zweden, Finnmark en Noord-Rusland, met de zuidgrens ongeveer waar de gesloten taiga begint. De soort ontbreekt op de Britse Eilanden en in West-, Midden- en Zuid-Europa; dwaalgasten daarbuiten zijn niet bekend.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend nachtactief, in het voorjaar ook in de schemering; in de winter polyfasisch, met activiteitsperioden verspreid over dag en nacht. Het dieet is breed: blad, knoppen, twijgen en bessen van dwergstruiken, kruiden, paddenstoelen, mossen, korstmossen en soms insecten. In de zomer overheersen bessen en paddenstoelen; in de Altaj zijn noten van de Siberische den in herfst en winter het belangrijkste voedsel, en noordelijke dieren leggen in het najaar voorraden aan. De voortplanting loopt van april tot half september, met een draagtijd van zeventien tot negentien dagen en meestal twee of drie, hoogstens vier worpen per seizoen; een worp telt twee tot veertien embryo's, en noordelijke worpen zijn het grootst. De jongen verlaten het nest na vijftien tot achttien dagen. Volwassen dieren verplaatsen zich tot 370 à 390 meter van het nest, mannetjes tot een kilometer; vrouwtjes zijn honkvaster dan mannetjes, en de dieren leven alleen of in kleine groepen. Geen winterslaap of winterrust; het hele jaar actief.
Waar en wanneer kijken
De beste kans is in juli of augustus in het noorden van Finland, Zweden of Noorwegen, in oud sparren- of berkenbos met een dikke mos- en korstmoslaag en veel liggend dood hout. Wacht stil bij een omgevallen stam of een takkenhoop, vroeg in de ochtend of tegen de schemering: de soort laat zich vaker bovengronds zien dan de meeste woelmuizen, en de rode rug is bij goed licht op tien meter te herkennen. Let ook op dieren in jonge sparren, want de soort klimt. Een tweede goed moment is direct na de sneeuwsmelt, eind mei, wanneer de wintergangen en de bolvormige winternesten open op de bosbodem liggen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2020), met een holarctisch areaal van ongeveer 18,5 miljoen vierkante kilometer; de soort is een van de weinige woelmuizen die zowel in Europa als in Noord-Amerika voorkomen. De aantallen volgen de drie- tot vierjarige cyclus die bij noordelijke woelmuizen gebruikelijk is; in een dal kan een streek jarenlang vrijwel leeg lijken. Er zijn geen bedreigingen van betekenis bekend. Veranderingen in de taiga kunnen wel gevolgen hebben: kaalkap waarbij geen dood hout achterblijft, en vooral het wegvallen van een stabiele sneeuwlaag, omdat de soort de winter onder de sneeuw doorbrengt. Waar de sneeuw dunner wordt of tussentijds dooit en weer bevriest, verdwijnt die beschutting; dat geldt voor alle kleine zoogdieren van het noorden.
Wetenschappelijke naam
Clethrionomys rutilus | (Pallas, 1779) (GBIF: Myodes rutilus)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Mus rutilus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Clethrionomys is Grieks: het tweede deel is mys 'muis', het eerste wordt meestal gelezen als klēthrion, verkleinwoord bij klēthra 'els'. Andere woordenboeken leiden het af van kleithron 'grendel'; zeker is de herkomst niet. rutilus is Latijn voor 'rossig, roodgloeiend', naar de helder roodbruine rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.






