Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Italiaanse bosspitsmuis

Italiaanse bosspitsmuis | Sorex samniticus

Appenine Shrew | Musaraña De Los Apeninos

De Italiaanse bosspitsmuis is een Sorex die alleen op het Italiaanse vasteland voorkomt, van de Povlakte tot Calabrië en Apulië. Hij leeft in lage bergen en heuvelland, langs beken, in moerassige plekken, langs stapelmuren en bosranden, en komt niet hoog. Genetisch staat hij apart: hij is verwant aan zowel de groep van de gewone bosspitsmuis als die van de toendraspitsmuis, maar behoort tot geen van beide, en wordt in een eigen soortgroep geplaatst. Hij is overal in lage aantallen gevonden, en van zijn levenswijze is weinig bekend.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn geen sporen bekend die specifiek voor deze soort zijn; keutels, paadjes en gangetjes zijn niet van die van andere spitsmuizen te onderscheiden. De soort wordt vastgesteld met levende vallen en in braakballen van uilen, vooral van de kerkuil. In braakballen zijn schedels en onderkaken van Sorex aan de roodbruine tandpunten te herkennen; voor de scheiding van Sorex antinorii en de gewone bosspitsmuis zijn schedelmaten en een gespecialiseerde sleutel nodig.

Herkenning

Een vrij grote, gedrongen Sorex met een korte staart, die meestal niet langer is dan de helft van de kop-romplengte. De vacht is eenkleurig kastanjebruin: rug en buik hebben dezelfde tint, de buik is alleen iets lichter, en er is geen scherpe grens tussen beide, zodat de driekleurige tekening van de gewone bosspitsmuis ontbreekt. De tandpunten zijn roodbruin. Het karyotype, 2n = 52 met uitsluitend acrocentrische chromosomen en één enkel Y-chromosoom, scheidt de soort van de verwante bosspitsmuizen, maar is in het veld niet te zien. Kop-romplengte 6,8 tot 7,8 cm, staart 3,3 tot 4,5 cm, achtervoet 11 tot 13 mm, gewicht 6,5 tot 10 gram.

Gelijkende soorten

De lastigste verwisselingen zijn Sorex antinorii, die in de Italiaanse Alpen en de Apennijnen leeft, en in het noorden de gewone bosspitsmuis (Sorex araneus). Beide hebben een driekleurige vacht en een naar verhouding langere staart, en een dier met een korte staart en een egaal kastanjebruine vacht wijst daarom op de Italiaanse bosspitsmuis. Omdat vachtkleur en staartlengte bij jonge en slijtende dieren variëren, is een zekere determinatie alleen genetisch of aan de schedel mogelijk. De dwergspitsmuis (Sorex minutus) is veel kleiner en heeft een lange, dikke staart. Witgetande spitsmuizen (Crocidura) en de wimperspitsmuis (Suncus etruscus) hebben witte tanden, uitstekende oren en losse lange haren op de staart. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) en de Millers waterspitsmuis (Neomys milleri), die langs dezelfde beken leven, zijn zwartachtig met een scherp afgegrensde lichte buik en hebben zwemharen langs de voeten.

Leefgebied

Vochtige plekken in het heuvelland en de lage bergen: beekdalen, oevers en moerassige plekken, bosranden en open bos, en lijnvormige elementen als hagen, stapelmuren, afrasteringen en taluds langs wegen. De soort komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1200 meter, maar niet hoger, en mijdt droge terreinen. Waar het bos dichter en uitgestrekter wordt, wordt de soort zeldzamer.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een endemische soort van Italië, beperkt tot het vasteland. Het areaal loopt van de Povlakte, waar de soort plaatselijk ten noorden van de Po voorkomt, over het hele schiereiland tot Calabrië en Apulië, met uitzondering van het schiereiland Salento. Op de eilanden, groot en klein, ontbreekt de soort. De typelocatie ligt in Molise, in de provincie Campobasso.

Levenswijze

Over de dagindeling, het voedsel en het leefgebied van deze soort is niets gepubliceerd; wat bekend is, gaat over de voortplanting. In mei zijn zogende vrouwtjes gevangen, in juni drachtige vrouwtjes met drie tot zes embryo's, en de eerste zelfstandige jongen verschijnen vanaf mei. Voor het overige mag worden aangenomen dat de levenswijze op die van andere Sorex-soorten lijkt: activiteit in korte perioden over het hele etmaal, een dieet van ongewervelden, geen winterslaap en een leven van hooguit ongeveer anderhalf jaar. Die aanname is voor deze soort niet getoetst.

Waar en wanneer kijken

Een Italiaanse bosspitsmuis is in het veld vrijwel niet te herkennen; vaststellen vraagt vangst of braakballen. De grootste kans op een vondst bieden begroeide beekoevers, natte ruigten en oude stapelmuren in het heuvelland van de Apennijnen onder 1200 meter. Het uitpluizen van kerkuilbraakballen uit boerderijen en kerken in die streken levert de meeste gegevens op. Een levend dier met een korte staart en een egaal kastanjebruine vacht is de moeite van een foto waard, met de staart goed in beeld. Vangen van spitsmuizen vraagt in Italië een vergunning.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op wereldschaal (LC, 2016) en ook op de Italiaanse Rode Lijst als niet bedreigd aangemerkt. De soort heeft een behoorlijk groot areaal binnen Italië, maar is overal in lage aantallen gevonden. Specifieke bedreigingen zijn niet vastgesteld. Omdat de soort aan vochtige plekken, oevers en lijnvormige landschapselementen gebonden is, verkleinen het kanaliseren van beken, het verwijderen van hagen en stapelmuren en uitdroging het beschikbare leefgebied. Hij staat op bijlage III van de Conventie van Bern.

Wetenschappelijke naam

Sorex samniticus | Altobello, 1926

Altobello beschreef de soort in 1926 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. samniticus betekent 'Samnitisch', van Samnium, het oude landschap in de Apennijnen; Altobello beschreef het dier uit Molise, dat daar deel van uitmaakte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Campobasso.