Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Hypsugo ariel

Hypsugo ariel | Hypsugo ariel

Fairy Pipistrelle | Hypsugo ariel

Hypsugo ariel is een zeer kleine, lichtgekleurde vleermuis van woestijnen en rotsgebieden rond de Rode Zee: onderarm 28 tot 34 mm, gewicht 2,3 tot 4,8 gram. Thomas beschreef haar in 1904 als Pipistrellus ariel uit de oostelijke Egyptische woestijn, in het huidige Soedan. In de literatuur staat zij vaak onder Pipistrellus, en de dieren uit Israël werden lange tijd als Pipistrellus bodenheimeri beschreven; genetisch en morfologisch onderzoek plaatst beide in Hypsugo, dicht bij H. savii en H. arabicus, en rekent bodenheimeri tot deze soort. Het gidsgebied raakt alleen de noordrand van het areaal: de Negev, de Arava en de Dode Zee-slenk, het zuidwesten van Jordanië en de Sinaï.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De dieren verblijven overdag in scheuren en spleten in rotswanden; in Saoedi-Arabië werd een kolonie van 20 dieren gezien die uit een kasteelruïne uitvloog. Verder zijn geen sporen van deze soort beschreven. Waar zij voorkomt, is de activiteit in de zomer tot twintig keer zo hoog als in de winter, met pieken in het eerste en het laatste uur van de nacht.

Herkenning

Een kleine vleermuis met een dunne, lichte vacht: de rug is bleek roze-bruin tot bleek grijscrème of gebroken wit, met de donkere haarbasis zichtbaar; de buik is nog lichter, bruinig crème tot gebroken wit. Het kale gezicht, de oren, de poten en de vingers zijn roze tot donker roze-bruin, de vlieghuiden lichtbruin en halfdoorschijnend, de staartvlieghuid lichter dan de vleugels. De oren zijn vrij kort met afgeronde punt; de tragus is bijna even breed als lang, met ronde punt. De laatste twee staartwervels steken buiten de staartvlieghuid uit. De dieren jagen laag boven de grond en zijn wendbaar. De zoekroepen zijn steil frequentiegemoduleerd met een zeer kort constant deel (FM/QCF); in Israël lag de piekfrequentie tussen 42,8 en 53,7 kHz (gemiddeld 48,2 kHz), de eindfrequentie gemiddeld bij 46,1 kHz en de roepduur gemiddeld bij 3,2 ms. Metingen in Jordanië en de Sinaï gaven piekfrequenties van 43 tot 49 kHz.

Gelijkende soorten

Binnen het kleine areaal in het gidsgebied is het contrast tussen de bleke vacht en de roze huid het eerste kenmerk. Savi's dwergvleermuis (Hypsugo savii), die in de Levant ook voorkomt, is groter (onderarm 31 tot 38 mm) en heeft een donkere rug met goudkleurige punten en een zeer donkere, bijna zwarte huid; haar roepen liggen met 30 tot 35 kHz veel lager. Kuhls dwergvleermuis (Pipistrellus kuhlii) heeft een bruine vacht, donkere huid en meestal een witte vleugelzoom, en roept rond 34 tot 41 kHz. Rüppels dwergvleermuis (Vansonia rueppellii) heeft een zuiver witte buik die scherp afsteekt tegen een grijze of grijsbruine rug, zwartachtige oren en een zwartachtig gezicht. Pipistrellus deserti uit Noord-Afrika lijkt in kleur, maar valt buiten dit deel van het gidsgebied. Op de batdetector overlappen de roepen van H. ariel met die van de gewone dwergvleermuis en andere soorten rond 45 tot 50 kHz; een roep alleen is niet voldoende voor determinatie.

Leefgebied

Rotsgebieden, woestijn en halfwoestijn, vaak rond oasen, bronnen en ander water; in Jordanië ook bij boerderijen en geïrrigeerde gebieden. Jagende dieren werden in Jordanië gevangen in een rotskloof, bij een kleine bron en in een oude dorpstuin; zij jagen vooral in open ruimte, maar ook rond bomen. Het handboek noemt vindplaatsen tussen 345 en 1224 m hoogte.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Palestina, Zuid-Israël, Zuidwest-Jordanië, Noordoost-Egypte (Sinaï), Noordoost- en Zuid-Centraal-Soedan, West-Saoedi-Arabië, Jemen en Zuidwest-Oman; het voorkomen in Zuidoost-Egypte en een melding uit Midden-Kenia zijn nog niet bevestigd. Binnen het gidsgebied liggen alleen Israël, de Palestijnse gebieden, het zuidwesten van Jordanië en de Sinaï, op de zuidgrens van het venster. Volgens het handboek is de volledige verspreiding nog onzeker. De soort is monotypisch.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het voedsel is gevarieerd: 55 mestkeutels uit Jordanië bevatten kevers, nachtvlinders, cicaden, wantsen, vliesvleugeligen, muggen, netvleugeligen en schietmotten, met kleine nachtvlinders als hoofdmoot op de ene en kevers op de andere plek. Maaginhouden uit de Sinaï bestonden voor 80 procent uit kleine kevers, vooral bladsprietkevers en zwartlijven. Vondsten van spinachtigen wijzen erop dat de soort soms prooi van een oppervlak pakt. In Israël en Palestina worden de jongen eind april en in mei geboren; drachtige vrouwtjes droegen twee embryo's, en zogende vrouwtjes werden van mei tot juli gevangen. In juni verschijnen de eerste jonge dieren, in juli en augustus de helft van de vangsten. De soort houdt een winterslaap, maar wordt tussendoor wakker om te jagen; er zijn dieren gevangen bij temperaturen tot 11 °C.

Waar en wanneer kijken

De Negev-hooglanden en de randen van de Arava-slenk zijn in het gidsgebied de plaatsen met de meeste gegevens. Een bron of waterbak in een rotsdal is bij zonsondergang de beste plek, vooral in de zomer. Voor determinatie is een dier in de hand of een scherpe foto nodig die de bleke vacht en de roze huid laat zien; een detectoropname rond 48 kHz alleen is niet voldoende. Vangen van vleermuizen is in de betrokken landen vergunningplichtig.

Staat van instandhouding

Onvoldoende gegevens (DD, 2020). De volledige verspreiding is onzeker en over bedreigingen is weinig bekend; uitbreiding van de landbouw en algemeen verlies van leefgebied worden als mogelijke bedreigingen genoemd. De soort valt onder het EUROBATS-verdrag voor zover zij binnen het verdragsgebied voorkomt.

Wetenschappelijke naam

Hypsugo ariel | (O. Thomas, 1904)

O. Thomas beschreef de soort in 1904 als Pipistrellus ariel; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hypsugo is door Kolenati gevormd zonder toelichting; het eerste deel wijst op het Griekse hypsi 'hoog, in de hoogte', het tweede laat zich niet thuisbrengen. ariel is de naam van Ariël, de luchtgeest uit Shakespeares The Tempest, vermoedelijk naar het geringe formaat van dit vleermuisje; Thomas licht de naam niet toe, en ariel is in Arabië ook een naam voor de gazelle. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Soedan.