Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Eikelmuis
Eikelmuis | Eliomys quercinus
Garden dormouse | Lirón Careto
De eikelmuis (Eliomys quercinus) is een slaapmuis met een zwart masker, grote dunne oren en een staart die eindigt in een zwart-witte pluim. Hij leeft in loof- en bergbos, rotsspleten, stapelmuren, zolders en nestkasten, en maakt 's nachts veel geluid. Het areaal is de afgelopen decennia sterk gekrompen, vooral in het oosten; sinds 2024 staat de soort als kwetsbaar (VU) te boek.
Sporen
De eikelmuis is de luidruchtigste slaapmuis van Europa; het meest bruikbare spoor is geluid: een reeks scherpe, doordringende fluittonen, afgewisseld met knorren en een ratelend gekwetter, meestal na middernacht en vaak vanaf een dak, een muur of een houtstapel. Hoog gefluit 's nachts in augustus en september in berg- en heuveldorpen is kenmerkend voor deze soort. De soort gebruikt holten, wat het zoeken vereenvoudigt. Nestkasten voor vogels, vleermuizen of slaapmuizen worden overgenomen en gevuld met een rommelig nest van gras, mos, bladeren en ander beschikbaar materiaal, inclusief plastic en isolatiemateriaal; hetzelfde gebeurt in rotsspleten, stapelmuren, houtstapels, schuren en op zolders. In het najaar wordt zo'n nest de winterkamer, waarin het dier opgerold ligt met de zwart-witte staart over de kop. De keutels zijn 8 tot 12 mm lang en 3 tot 4 mm dik, donkerbruin tot zwart, gedraaid en spits toelopend, en liggen in hoopjes op vaste plekken in en bij het nest; ze bevatten glanzende dekschilden van kevers en pootjes van duizendpoten, omdat deze soort, anders dan de andere slaapmuizen, voor een groot deel dierlijk voedsel eet. Bij eetplekken liggen daarom opengeknaagde slakkenhuizen, resten van loopkevers en soms botjes en veren. Appels, peren en pruimen worden aan de boom uitgehold, waarbij een schil met een groot, onregelmatig gat achterblijft.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een grote slaapmuis, kop-romp 10 tot 17,5 cm en staart 9 tot 13,5 cm, met een gewicht dat voor de winterslaap oploopt van 45 tot 120 gram. De rug is grijsbruin tot roodbruin, keel, borst en buik zijn zuiver wit en scherp begrensd. Het belangrijkste kenmerk is het zwarte masker: het loopt van de snorharen door het oog en gaat achter het oog door tot achter en onder het oor, waar het in een punt eindigt; bij alle andere Europese slaapmuizen stopt de donkere tekening bij of vóór het oor. De oren zijn groot, dun, bijna vliezig en steken vrij boven de vacht uit. De staart is aan de basis dun en kort behaard en eindigt in een afgeplatte pluim die zwart is met een witte punt en witte randen; ook dat komt bij geen andere soort voor. De ogen zijn groot, bol en zwart, de poten roze met lange tenen. De staarthuid laat los als de staart wordt vastgepakt; dieren met een kale staartpunt hebben dit deel meestal bij een ontsnapping verloren.
Gelijkende soorten
De hazelmuis is half zo groot, effen goudoranje, heeft kleine ronde oren en geen masker; aan de kop is verwarring uit te sluiten. De belangrijkste verwarringsmogelijkheid in Midden- en Oost-Europa is de bosslaapmuis: ook grijsbruin met witte buik en een zwarte oogstreep, maar die streep stopt bij het oor en loopt er niet achterlangs, en de staart is gelijkmatig grijsbruin en licht pluimig, zonder zwarte pluim met witte punt. De bosslaapmuis is bovendien duidelijk kleiner. De relmuis is groter, egaal grijs, zonder masker, met een gelijkmatig grijze pluimstaart en donkere ringen om de ogen die geen streep vormen. Van echte muizen onderscheidt de behaarde staart hem: bosmuis en zwarte rat hebben een naakte, geringde staart. In het zuiden van het Iberisch Schiereiland en in de Maghreb komt de nauw verwante Eliomys munbyanus voor, die in het veld niet betrouwbaar te onderscheiden is; daar is het verspreidingsgebied bepalend.
Leefgebied
Het leefgebied verschilt per regio. In het zuiden en westen van het areaal (Iberisch Schiereiland, Zuid-Frankrijk, Italië) leeft de soort in loofbos, olijfgaarden, boomgaarden, stapelmuren en aan dorpsranden, tot in tuinen en huizen; op het Iberisch Schiereiland ook in eiken- en beukenbos en bergdennenbos. In Midden-Europa is hij de laatste halve eeuw teruggedrongen tot naaldbos en rotsig berggebied, vooral oude sparren- en dennenbossen met veel dood hout, blokkenvelden en puinhellingen; in Duitsland komt hij vooral nog daar voor en niet in loofbos. Overal zijn holten nodig: boomholten, spleten, muren en nestkasten. Van zeeniveau tot ongeveer 2300 m in de Alpen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het zwaartepunt ligt in Zuidwest- en Midden-Europa. Op het Iberisch Schiereiland komt de soort vrijwel overal voor, van het Cantabrisch gebergte en de Pyreneeën tot de Sierra Nevada, en ook op de Balearen; het is daar de meest gevonden slaapmuis. Verder leeft hij in Frankrijk, Italië met Sicilië, Sardinië en Corsica, de Alpen, Zuid- en Midden-Duitsland, Tsjechië en verspreid in de westelijke Balkan. Het oostelijke deel van het oorspronkelijke areaal, dat tot in Zuid-Polen reikte, is grotendeels leeggelopen: de soort is regionaal uitgestorven in Estland, Finland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, Polen, Slowakije en Oekraïne en komt ten oosten van Duitsland en West-Tsjechië nauwelijks meer voor. In Nederland is de eikelmuis de zeldzaamste zoogdiersoort; hij komt alleen nog voor in het Zuid-Limburgse heuvelland, waar bij een gerichte zoektocht in 2007 in twee bossen negen dieren werden gevonden. Ook in Vlaanderen en Wallonië is de soort zeer zeldzaam. Op de Britse Eilanden komt de eikelmuis niet voor; de enige vrijlevende slaapmuizen daar zijn de inheemse hazelmuis en de ingevoerde relmuis in de Chilterns.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, het meest in de eerste helft van de nacht. Hij klimt goed, maar foerageert veel op de grond en op muren, en is van de Europese slaapmuizen de meest carnivore: kevers, sprinkhanen, rupsen, duizendpoten, slakken en regelmatig ook eieren, jonge vogels en andere kleine knaagdieren, aangevuld met fruit, noten en zaden. Van oktober tot april houdt hij een echte winterslaap, alleen of met meerdere dieren in één winterkamer; in de Alpen duurt de winterslaap tot zeven maanden, zodat de actieve periode tot vier en een halve maand is beperkt. In het noorden is er één worp per jaar van vier tot zes jongen, in het zuiden soms twee. De jongen worden blind en naakt geboren, hebben eerst een grijze vacht en krijgen het masker geleidelijk. In het wild wordt de eikelmuis zelden ouder dan drie jaar.
Waar en wanneer kijken
Luister in augustus of september na middernacht langs een dorpsrand, in een boomgaard of op een berghelling naar het scherpe fluiten; dat is de betrouwbaarste methode om de soort vast te stellen. Zoek daarna de bron van het geluid: een houtstapel, een stapelmuur, een dakrand. Controleer nestkasten voor vogels of vleermuizen in september en oktober; meld een kast met een rommelig nest en een gemaskerde bewoner. Op het Iberisch Schiereiland en in Zuid-Frankrijk is de soort algemeen genoeg om in de schemering op een oude stapelmuur of in een olijfgaard te worden waargenomen. In Nederland en België is de kans op een waarneming klein.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2024). In 2008 stond de soort nog als gevoelig (NT) te boek; de herziene verspreidingskaart van 2017 liet een afname van het areaal met een derde ten opzichte van 2008 zien, en in de drie decennia daarvoor is naar schatting tot de helft van het oorspronkelijke areaal verdwenen. De oorzaken zijn meervoudig: verlies van oude boomgaarden, stapelmuren en holtenrijk bos, gewasbescherming die het insectenaanbod vermindert, en waarschijnlijk klimaatverandering, die de winterslaap onderbreekt, waardoor dieren met uitgeputte vetreserves ontwaken. In Duitsland loopt sinds 2018 een landelijk onderzoeksprogramma op basis van geluid, keutels en nestkasten, dat de eerste betrouwbare kaart van de achteruitgang heeft opgeleverd. Op het Iberisch Schiereiland is de soort nog wijdverspreid.
Wetenschappelijke naam
Eliomys quercinus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Mus quercinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Eliomys is Grieks, van eleios, bij Aristoteles de naam van de relmuis, en mys 'muis'. quercinus is Latijn voor 'van de eik', bij quercus 'eik'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.





