Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Bruine rat
Bruine rat | Rattus norvegicus
Brown Rat | Rata parda
De bruine rat is een knaagdier uit Noordoost-Azië dat Europa pas in de achttiende eeuw bereikte. Binnen tweehonderd jaar verspreidde hij zich over vrijwel alle steden, erven en riolen van Europa, en na de mens is hij waarschijnlijk het talrijkste grote zoogdier van het werelddeel. Hij leeft dicht bij mensen, zwemt en duikt goed en graaft holen in oevers en dijken.
Sporen
De bruine rat laat veel en goed herkenbare sporen achter. Prenten: de voorvoet meet ongeveer 18 tot 22 millimeter en heeft vier stervormig gespreide tenen, met het rudiment van de duim soms als een stip zichtbaar; de achtervoet is veel groter, tot ruim vier centimeter lang, met vijf tenen en een lange, duidelijk afgedrukte zool. Dat verschil in grootte tussen voor- en achtervoet is het kenmerk: in modder of sneeuw langs een oever, een schuurdeur of een composthoop staan de kleine viertenige prenten tussen de grote vijftenige, vaak met een sleepstreep van de staart ertussen. De keutels zijn twaalf tot twintig millimeter lang en vier tot zes millimeter dik, worstvormig met stompe, afgeronde uiteinden; daarin verschillen ze van de spoelvormige, spitse keutels van de huismuis en van de kleinere, dunnere keutels van de zwarte rat. Vers zijn ze zwart en glanzend; een dier laat er ongeveer veertig per etmaal achter, in groepjes langs looproutes en bij voedselbronnen. Langs vaste routes tegen muren, balken en buizen ontstaan donkere, vettige veegsporen van vuil, vet en urine. Het hol is kenmerkend voor deze soort; geen andere rat graaft zulke holen: gangen van ongeveer negen centimeter doorsnede, meestal in een talud, een dijk, onder een schuurvloer, onder een composthoop of in een oeverwand, met een waaier van uitgegraven aarde voor de ingang en een kaal, uitgesleten looppad ernaartoe. Rond zo'n hol lopen wissels: platgelopen paadjes van vijf tot acht centimeter breed door gras en brandnetels. Knaagsporen zijn grof, met paarsgewijze groeven van twee tot drie millimeter, in hout, plastic, lood, kabels en zakken; een aangevreten ei wordt aan één kant opengebroken en leeggelikt. Een ruimte met ratten heeft een scherpe, muffe, ammoniakachtige geur, zwaarder dan de zoetige geur van muizen.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een forse rat: kop-romp negentien tot dertig centimeter, staart vijftien tot tweeëntwintig centimeter, gewicht twee- tot vijfhonderd gram; daarmee het zwaarste knaagdier dat in Europese huizen voorkomt. De vacht is grofharig, grauwbruin tot grijsbruin met een grijze, vuilwitte of geelgrijze onderzijde, zonder scherpe grens; zwarte en lichte dieren komen voor. Het belangrijkste kenmerk is de bouw: een zwaar, gedrongen lijf, een botte snuit, kleine, dikke, kort behaarde oren die naar voren gelegd het oog niet bereiken, en kleine ogen. De staart is korter dan kop en romp, dik aan de basis, geschubd, spaarzaam behaard en vaak lichter aan de onderzijde. De achtervoet is groot en breed, bij een volwassen dier ruim vier centimeter. Hij beweegt laag bij de grond, zwemt en duikt goed, graaft diepe gangen en klimt matig.
Gelijkende soorten
De zwarte rat (Rattus rattus) is de enige soort waarmee werkelijk verwarring mogelijk is; drie kenmerken zijn beslissend. De staart is bij de zwarte rat langer dan kop en romp, bij de bruine rat korter. Het oor is bij de zwarte rat groot, dun en vrijwel kaal en reikt naar voren gelegd over het oog; bij de bruine rat is het klein, dik en behaard. De snuit is spits bij de zwarte rat en bot bij de bruine. Daarnaast verschilt de plek: de zwarte rat leeft hoog, in daken, op zolders en balken, de bruine rat laag, in kelders, riolen, holen en oevers. Een jonge bruine rat wordt vaak voor een grote huismuis aangezien; een jonge rat heeft in verhouding een veel zwaardere kop en veel grotere voeten dan een volwassen huismuis van hetzelfde gewicht, en een dikke staart. De woelrat is even groot, maar heeft een stompe, ronde kop, kleine oren die in de vacht liggen, een behaarde staart van half de lichaamslengte, en eet planten op oevers. De muskusrat is veel groter, met een zijdelings afgeplatte staart. De beverrat is nog groter, met witte snorharen en oranje snijtanden.
Leefgebied
Overal waar voedsel, dekking en water samenkomen, in Europa vrijwel overal. Riolen, kelders, kruipruimten, havens, pakhuizen, markten, vuilstorten, composthopen, dierentuinen, stallen en boerenerven; buiten in oevers van sloten, kanalen, vijvers en grachten, in rietkragen, in dijken en spoortaluds, en in de zomer in graanakkers en moestuinen. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor een vochtige, niet te warme omgeving; in Noordwest-Europa bewoont hij vooral lage, natte plekken, de zwarte rat drogere en hogere plekken. In het najaar trekt een deel van de buiten levende dieren naar binnen. Op eilanden, in duinvalleien en bij zeevogelkolonies is hij een van de invasieve soorten met de grootste gevolgen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Oorspronkelijk een wilde soort van Noord-China, Mongolië, Zuidoost-Siberië en Japan, waar hij in vochtige bossen en velden leefde. Met de mens is hij over de hele wereld verspreid en ontbreekt hij alleen op Antarctica. Europa bereikte hij in de achttiende eeuw: in Ierland vastgesteld in 1722, in Engeland in 1730, in Frankrijk in 1735, in Duitsland omstreeks 1750 en in Spanje omstreeks 1800; daarna verspreidde hij zich binnen enkele generaties over heel Europa. In Europa ontbreekt hij nu alleen op enkele eilanden waar hij is uitgeroeid of nooit is aangekomen, waaronder eilanden voor de Schotse en Ierse kust waar uitroeiing heeft plaatsgevonden. In Groot-Brittannië en Ierland is hij overal de algemeenste rat, van stadsriolen tot boerderijen en havens. In Nederland en Vlaanderen komt hij vrijwel overal voor, van binnensteden tot uiterwaarden; Terschelling werd pas in de zomer van 2024 bereikt. Op het Iberisch Schiereiland komt hij overal voor, en ook op de Balearen en de Canarische Eilanden, gebonden aan steden, havens, riolen, irrigatiegebieden, rijstvelden en oevers; in de moerassen van de Guadalquivir en de Ebrodelta is hij talrijk, en op eilandjes met zeevogelkolonies bepaalt zijn aan- of afwezigheid de toekomst van die kolonies.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, met de meeste activiteit in de uren kort voor en na zonsondergang; ratten die overdag actief zijn, wijzen meestal op een hoge dichtheid of op verstoring. Alleseter en opportunist: graan, zaden, vruchten, wortels, slakken, insectenlarven, amfibieën, jonge zoogdieren, eieren, vogelkuikens, aas en huishoudelijk afval; daarnaast knaagt hij aan zeep en kaarsen. Hij zwemt en duikt goed en haalt mosselen, kreeftjes en vis uit ondiep water. De soort leeft in grote groepen met een strikte rangorde, in gangenstelsels, riolen en kelders; bij voedselschaarste sterven ondergeschikte dieren het eerst. Het gehoor reikt ver in het ultrasone bereik, de reukzin is zeer goed en het gezichtsvermogen slecht. Kenmerkend is neofobie: nieuwe voorwerpen worden dagenlang gemeden, wat bestrijding bemoeilijkt. De voortplanting gaat het hele jaar door, met pieken in maart en van september tot november; na een draagtijd van twintig tot drieëntwintig dagen worden gemiddeld zeven jongen geboren, met drie tot vijf worpen per jaar, en de jongen zijn na drie tot vier maanden geslachtsrijp. Er is geen winterslaap. In het wild wordt de bruine rat zelden ouder dan een jaar.
Waar en wanneer kijken
De beste plekken zijn stadsparken met water, grachten en havens, ongeveer een uur na zonsondergang. Ga stil zitten bij een plek waar eenden worden gevoerd: vaak komen er binnen een kwartier ratten langs de waterkant, en stadsratten laten een stilzittende waarnemer op korte afstand komen. Overdag is aanwezigheid via sporen vast te stellen: zoek langs oevers naar holen van ongeveer negen centimeter met een zandwaaier, naar platgelopen wissels door brandnetels en naar prenten in de modder aan de waterkant, waar kleine viertenige en grote vijftenige prenten naast elkaar staan. In de winter is een dun laagje sneeuw langs een schuur of composthoop de eenvoudigste manier om sporen te vinden. Houd afstand: een rat die geen uitweg heeft, kan bijten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2025). De bruine rat is een van de talrijkste zoogdieren op aarde en wordt nergens in zijn voortbestaan bedreigd; schattingen voor afzonderlijke steden lopen sterk uiteen (voor New York van een kwart miljoen tot bijna honderd miljoen), wat vooral laat zien hoe onnauwkeurig deze aantallen bekend zijn. Rattus norvegicus is een wilde soort met een eigen natuurlijk areaal in Noordoost-Azië, die zich met de mens heeft verspreid zonder gedomesticeerd te zijn, net als het konijn, de huismuis en de zwarte rat. Uit deze soort zijn de laboratoriumrat en de tamme rat gefokt; die gefokte vormen zijn huisdieren. In Europa is de bruine rat geen inheemse soort, maar een ongeveer driehonderd jaar geleden ingevoerde soort. De aandacht voor de soort betreft schade en niet behoud: hij vernielt en vervuilt voedselvoorraden, knaagt kabels en isolatie stuk, ondergraaft dijken en kades, en brengt onder meer de ziekte van Weil, rattenbeetkoorts, Q-koorts, hantavirussen en toxoplasmose over. Bestrijding met anticoagulantia werkt steeds minder goed (resistentie is in grote delen van Noordwest-Europa vastgesteld) en laat resten achter in kerkuil, torenvalk, buizerd en steenmarter, wat in de hele Europese Unie tot strengere regels leidt. Op eilanden is hij een van de invasieve soorten met de grootste gevolgen: hij eet eieren en kuikens van stormvogeltjes, alken en sterns en heeft hele kolonies doen verdwijnen. De uitroeiingsprojecten op eilanden van Schotland tot de subantarctische gebieden worden gerekend tot de succesvolste natuurherstelprojecten ter wereld.
Wetenschappelijke naam
Rattus norvegicus | (J. Berkenhout, 1769)
J. Berkenhout beschreef de soort in 1769 als Mus Norvegicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rattus is het middeleeuws-Latijnse woord voor 'rat'. Verwante vormen staan naast elkaar in het Germaans, het Romaans en het Keltisch; hoe ze samenhangen en waar het woord uiteindelijk vandaan komt is onbekend. norvegicus betekent 'Noors'. Berkenhout meende dat de rat in 1728 met Noorse schepen in Engeland was aangekomen; in werkelijkheid komt de soort uit Noord-Azië en had Noorwegen er niets mee te maken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Verenigd Koninkrijk.






