Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Zwarthalseremomela

Zwarthalseremomela | Eremomela atricollis

Black-Necked Eremomela | Eremomela Cuellinegra

De zwarthalseremomela is een kleine, bonte eremomela van de miombo op het hoogland van Angola en het noordwesten van Zambia. Een zwart oogmasker, een gele keel en een fijne zwarte halsband maken hem bij een goede blik onmiskenbaar. Hij trekt in groepjes door de kruinen van de Brachystegia-bomen.

Zwarthalseremomela (Eremomela atricollis)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, raspend dzrrt dzrrt, enkele seconden achter elkaar herhaald, en hoge, dunne contactroepjes, tsie-tsie, waarmee de groep bij elkaar blijft. Het raspende geluid valt op tussen de andere stemmen van een gemengde foerageertroep.

Luister: ZangXC745576

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Voorhoofd en voorkruin zijn warm oranjegeel tot roestgeel, de achterkruin en de rug grijs, de vleugels olijfkleurig met donkere slagpennen. Een zwart masker loopt van de teugel door het oog tot op de oorstreek. De keel is helder geel en wordt aan de onderkant begrensd door een smalle, scherpe zwarte halsband; daaronder zijn borst en buik wit met een lichtgele waas op de flanken. De staart is kort en grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een vage of ontbrekende halsband. Beweegt snel en acrobatisch door het blad in de kroon.

Verwarrings­soorten

De groenkaperemomela Eremomela scotops deelt de miombo en trekt ook in groepjes rond, maar heeft een groenige kruin, een lichte iris, geen zwart masker en geen halsband. De geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis is grijs met een gele onderbuik en een witte keel, zonder masker of halsband, en leeft in drogere, opener savanne. De roodkapkrombek Sylvietta ruficapilla van dezelfde bossen is groter, vrijwel staartloos en heeft een roestkleurige oorstreek en een grijze borstband.

Leefgebied

Miombo en ander Brachystegia- en Julbernardia-bosveld op het hoogland, ook bosveld met enkele hoge bomen in cultuurgebied. Foerageert in de bovenste lagen van het bladerdek op kleine insecten en larven, in paren of groepjes van drie tot acht, bijna altijd als deel van een gemengde troep met onder meer mezen, krombekken en andere eremomela's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied in het midden en oosten van Angola (vooral het centrale hoogland van Huambo, Bié en Malanje oostwaarts naar de Lunda-provincies) en in het noordwesten en noorden van Zambia, oostwaarts tot ongeveer de Copperbelt. Daarbuiten alleen in het zuiden van Congo-Kinshasa (Katanga en Kasaï). Een soort van het zuidelijke miombogebied met een klein totaal areaal.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; wacht in de miombo op een gemengde foerageertroep, die zich laat horen door mezen en drongo's, en loop mee tot de eremomela's in de kroon verschijnen. In Zambia zijn de miombobossen rond Mwinilunga en Solwezi goede plekken; in Angola de bossen rond Kalandula en op het plateau bij Huambo. Let op het droge dzrrt om de soort tussen de groenkaperemomela's te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Plaatselijk vrij algemeen in intacte miombo. Grootschalige kap voor houtskool en landbouw in Angola en Zambia vermindert het geschikte bosveld, maar de soort komt nog over grote oppervlakken voor en er zijn geen aanwijzingen voor een sterke achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Eremomela atricollis | Bocage, 1894

Bocage beschreef de soort in 1894 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Eremomela werd in 1850 ingevoerd door Sundevall. Eremomela komt van het Griekse erēmos, 'woestijn', en melos, 'lied' — 'zanger van de woestijn', naar de droge streken waar de eerste soorten werden gevonden. atricollis komt van het Latijnse ater, 'zwart', en collum, 'hals' — naar de zwarte halsband. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Galanga, Angola.