Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Roodkaperemomela

Roodkaperemomela | Eremomela badiceps

Rufous-Crowned Eremomela | Eremomela Capirotada

De roodkaperemomela is een klein, beweeglijk zangertje van het kronendak van tropisch laaglandbos, herkenbaar aan een roestbruine kap boven een zwarte oogstreep. Hij trekt in luidruchtige groepjes door de boomtoppen en sluit vaak aan bij gemengde foerageertroepen. In zuidelijk Afrika komt hij alleen in het noorden van Angola voor.

Roodkaperemomela (Eremomela badiceps)
Foto: avocat — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een hoog, sissend en ijl gekwetter, tsie-tsie-tsie of tsiew-tsiew, waarmee de leden van een groepje voortdurend contact houden. De zang is een snelle, droge reeks, tsjip-tsjip-tsjiew, vaak door meerdere vogels tegelijk. Het groepsgekwetter hoog in de kruinen is meestal het eerste teken van de soort.

Luister: RoepXC975099

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10 cm. Voorhoofd, kruin en nek zijn warm kastanjebruin, scherp afgezet tegen een zwarte teugel en oogstreep die tot achter het oog doorloopt. De bovendelen zijn grijs met een olijfkleurige zweem, vleugels en de vrij korte staart donkergrijs. De keel is helder wit, de rest van de onderdelen vuilwit met een geelachtige waas op de flanken en onderbuik. De snavel is fijn en donker, de poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk; jonge vogels missen de roestbruine kap en zijn groenig grijs op de kop. Zoekt rusteloos tussen het blad en hangt vaak aan de buitenste twijgen.

Verwarrings­soorten

In dit deel van Angola is verwarring vooral mogelijk met de groenkaperemomela Eremomela scotops, die een groenige kap, een geelachtige keel en borst en een lichte iris heeft en meer in open bosveld leeft dan in gesloten bos. De zwarthalseremomela Eremomela atricollis heeft ook een roestkleurig voorhoofd, maar draagt een smalle zwarte halsband onder een gele keel en leeft in miombo. De geelborstapalis Apalis flavida heeft een groene rug, een gele borstband en een langere staart.

Leefgebied

Kronendak en bosranden van vochtig laaglandbos en galerijbos, ook oud secundair bos, open plekken met hoge restbomen en koffieplantages onder schaduwbomen. Foerageert hoog in het bladerdek op kleine insecten en spinnen, in groepjes van vier tot tien vogels, vaak samen met andere kleine insecteneters.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in het noorden en noordwesten van Angola: Cabinda, de noordelijke escarpmentbossen in Uíge en Cuanza Norte en galerijbossen verder naar het oosten. Daarbuiten van Sierra Leone door het West-Afrikaanse en Congolese regenwoudblok tot in Oeganda en het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond aanwezig; zoek in bosranden en open plekken waar je in de kruinen kunt kijken, bijvoorbeeld langs wegen door het escarpmentbos van Kumbira of Kalandula of in de bossen van Uíge. Luister naar het sissende groepsgekwetter en volg de groep tot een vogel aan de rand van het blad verschijnt; de roestbruine kap is dan snel te zien. Een telescoop of een verrekijker met goede lichtsterkte helpt tegen het tegenlicht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het grootste deel van het areaal algemeen, en de soort verdraagt secundair bos en schaduwrijke aanplant. In Angola staat het laaglandbos en het escarpmentbos wel onder druk door kap en omzetting in landbouwgrond, wat de lokale populaties kleiner en meer versnipperd maakt.

Wetenschappelijke naam

Eremomela badiceps | (Fraser, 1843)

Fraser beschreef de soort in 1843 als Sylvia badiceps; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremomela werd in 1850 ingevoerd door Sundevall. Eremomela komt van het Griekse erēmos, 'woestijn', en melos, 'lied' — 'zanger van de woestijn', naar de droge streken waar de eerste soorten werden gevonden. badiceps komt van het Latijnse badius, 'kastanjebruin', en -ceps, 'kop' — naar de kastanjebruine kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malabo, Bioko (Equatoriaal-Guinea).