Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Zuidpooljager

Zuidpooljager | Stercorarius maccormicki

South Polar Skua | Págalo Polar

De zuidpooljager is de kleinere, slankere broer van de bruine jager, die op het Antarctische continent broedt en daarna een van de langste trektochten van alle vogels maakt, tot in de noordelijke Stille en Atlantische Oceaan. In zuidelijk Afrika is hij een schaarse maar geregelde passant ver voor de kust.

Zuidpooljager (Stercorarius maccormicki)
Foto: Paride Legovini — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee vrijwel zwijgzaam. Op de broedplaatsen een schor, nasaal gaa-gaa-gaa en een lange roep met opgeheven vleugels.

Luister: RoepXC953125

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 53 cm, een forse, compacte jager met brede vleugels en een korte, stompe staart. Er bestaan een lichte en een donkere vorm met overgangen. Lichte vogels hebben een opvallend lichte, grijsbeige kop, hals en onderzijde die scherp afsteken tegen de egaal donkere, vrijwel onbevlekte bovendelen en ondervleugels; vaak een fijne lichte kraag van strooien veertjes. Donkere vogels zijn egaal koudbruin, zonder de warme tinten en de rossige vlekken van de bruine jager. De snavel is zwart en naar verhouding slanker dan bij de bruine jager. In alle vormen een witte vlek aan de basis van de handpennen, boven en onder. Jonge vogels zijn grijzer en effener, met een blauwgrijze snavelbasis.

Verwarrings­soorten

De bruine jager (Stercorarius antarcticus) is groter, zwaarder gebouwd, met een forsere snavel en warmbruin, gevlekt en gestreept verenkleed; bij de zuidpooljager contrasteren een lichte kop en onderzijde met donkere vleugels, of is het hele kleed koud en egaal bruin. De donkere vorm van de middelste jager (Stercorarius pomarinus) is slanker, met langere, lepelvormige middelste staartpennen bij volwassen vogels en gebandeerde ondervleugeldekveren bij jonge vogels. Jonge kelpmeeuwen (Larus dominicanus) missen de witte handpenvlek en hebben een lichtere, gebandeerde staartbasis.

Leefgebied

Open oceaan, vooral boven het continentale plat en de rand ervan. Volgt vissersschepen en achtervolgt meeuwen, sternen en pijlstormvogels tot die hun buit loslaten. Rust in kleine aantallen op het water tussen andere zeevogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied een schaarse passant voor de westkust van Zuid-Afrika en Namibië en voor de zuidkust, waarschijnlijk vaak over het hoofd gezien tussen de talrijkere bruine jagers; enkele meldingen verder noord, voor Angola en Mozambique. Broedt langs de kust van Antarctica en trekt in de zuidelijke winter naar de noordelijke delen van de Stille, Atlantische en Indische Oceaan.

  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best vanaf pelagische boottochten vanuit Kaapstad of Simonstad, bij trawlers op het continentale plat. Zoek tussen de bruine jagers naar een kleinere vogel met lichte kop en onderzijde, of naar een egaal koudbruin exemplaar zonder vlekken. Goede foto's van snavel, kop en ondervleugel zijn nodig om een waarneming te laten aanvaarden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie telt enkele duizenden paren en lijkt stabiel. Op de broedplaatsen is de soort gevoelig voor verstoring en veranderingen in het Antarctische voedselweb; op zee vormen vistuig en olievervuiling een risico.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius maccormicki | Saunders, 1893

Saunders beschreef de soort in 1893 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. maccormicki eert de Britse marinearts en natuuronderzoeker Robert McCormick (1800–1890), die met James Clark Ross naar Antarctica voer. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Possession Island, Victorialand, Antarctica.