Alle soorten › Steltloperachtigen › Jagers › Bruine jager

Bruine jager | Stercorarius antarcticus

Brown Skua | Págalo Subantártico

De bruine jager is een zware, meeuwachtige rover van de zuidelijke oceanen, zo groot als een kelpmeeuw maar gedrongener en donkerder. In de koude maanden is hij voor de kusten van Zuid-Afrika en Namibië de gewoonste jager, vaak bij trawlers.

Bruine jager (Stercorarius antarcticus)
Foto: BluesyPete — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee meestal stil; bij het vechten om voedsel achter schepen soms een schor, nasaal gek-gek-gek. Op de broedplaatsen luide, rauwe roepen, met de vleugels boven het lichaam opgeheven.

Luister: VluchtroepXC863959

Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 63 cm, fors en tonvormig, met brede, vrij stompe vleugels, een korte, wigvormige staart en een zware, gehaakte zwarte snavel. Het verenkleed is donker warmbruin met lichtere en rossige vlekken en strepen op mantel, schouders en nek; kop vaak iets donkerder, soms met een donkere kap. In alle kleden een grote witte vlek aan de basis van de handpennen, van boven en van onder te zien. Seksen gelijk. Jonge vogels zijn egaler en roodbruiner, met minder vlekken. Vliegt zwaar en krachtig, maar achtervolgt andere zeevogels wendbaar.

Verwarrings­soorten

De zuidpooljager (Stercorarius maccormicki) is kleiner en slanker, met een fijnere snavel; lichte vogels hebben een lichte kop en onderzijde, donkere vogels zijn koud en egaal bruin zonder vlekken. De grote jager (Stercorarius skua), een zeldzame gast uit het noorden, lijkt sterk maar is kleiner en heeft goudgele streepjes op nek en mantel. De donkere middelste jager (Stercorarius pomarinus) is slanker en langer gestaart. Jonge kelpmeeuwen (Larus dominicanus) missen de witte handpenvlek.

Leefgebied

Open zee boven het continentale plat en de rand ervan, vooral waar trawlers visafval overboord zetten. Ook bij zeehondenkolonies, broedkolonies van zeevogels en soms dicht onder de kust. Pakt afval, jaagt andere zeevogels hun buit af en doodt kleine zeevogels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In de wintermaanden talrijk voor de west- en zuidkust van Zuid-Afrika en voor Namibië, schaarser naar het noorden tot Angola en langs de oostkust tot KwaZulu-Natal en het zuiden van Mozambique. Broedt op subantarctische eilanden rond de Zuidelijke Oceaan, waaronder Tristan da Cunha, Gough, Marion en de Prins Edwardeilanden, en langs het Antarctisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op elke pelagische tocht vanuit Kaapstad of Simonstad tussen mei en september vrijwel zeker, zittend op het water achter trawlers of jagend op pijlstormvogels. Soms ook vanaf de kaap bij Kaappunt of bij de pier van Lambertsbaai te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populaties op de subantarctische eilanden zijn groot en overwegend stabiel. Bijvangst in de visserij, olievervuiling en veranderingen in de hoeveelheid visafval beïnvloeden de aantallen op zee.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius antarcticus | (Lesson, 1831)

Lesson beschreef de soort in 1831 als Lestris antarcticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. antarcticus betekent 'antarctisch', naar het broedgebied op de subantarctische eilanden en het Antarctisch Schiereiland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Falklandeilanden.