Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Witkruinkievit

Witkruinkievit | Vanellus albiceps

White-Crowned Lapwing | Avefría Coroniblanca

De witkruinkievit is de kievit van de zandbanken in de grote rivieren. Lange gele lellen hangen aan weerszijden van de snavel, en in de vlucht is de vleugel bijna geheel wit. Hij is luidruchtig en valt elke indringer op zijn stuk rivier aan, ook krokodillen en nijlpaarden.

Witkruinkievit (Vanellus albiceps)
Foto: Chris Eason from London — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, schel en doordringend pie-ieuw of kie-kie-kie, vaak in snelle reeksen; paren roepen luid tegen elkaar en tegen indringers. Een van de karakteristieke geluiden van de rivieroever in het laagveld.

Luister: RoepXC762093

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–31 cm. De kop en hals zijn grijs met een smalle witte streep midden over de kruin van voorhoofd tot achterhoofd. Aan de snavelbasis hangen lange, gele lellen. De rug is bruin, de borst en buik zijn helder wit zonder borstband. De snavel is zwart met een gele basis, het oog geel, de poten geel. In de vlucht is de vleugel wit met alleen zwarte handpennen en een smalle zwarte rand aan de dekveren; de staart is wit met een zwarte eindband. Op de vleugelbocht zit een lange zwarte spoor. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels hebben kortere lellen en bruine veerzomen.

Verwarrings­soorten

De lelkievit Vanellus senegallus heeft ook gele lellen en gele poten, maar is geheel grijsbruin, heeft rode lellen boven de gele, een gestreepte kop, een witte voorhoofdsvlek in plaats van een kruinstreep en een bruine, geen witte, borst. De wapenkievit Vanellus armatus is zwart, wit en grijs en heeft zwarte poten. De langteenkievit Vanellus crassirostris heeft een wit gezicht met zwarte achterkop en borst en rode poten.

Leefgebied

Zandbanken, eilanden en kale oevers van brede, langzaam stromende rivieren, meestal met rivierbos langs de oever. Soms aan de randen van grote dammen. Het nest is een kuil op een zandbank, en bij hoogwater verplaatsen de vogels zich stroomop- of stroomafwaarts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Langs de grote rivieren in het noorden en oosten van het gebied: de Zambezi, de Chobe, de Okavango en de Kwando in Botswana en de Zambeziregio en Kavango van Namibië, de Luangwa en de Kafue in Zambia, de Shire in Malawi, de Save, de Runde en de Limpopo in Zimbabwe en Mozambique, en in Zuid-Afrika vooral de Limpopo en de rivieren van het Krugerpark, zoals de Olifants, de Letaba en de Sabie. Ook in het oosten van Angola. Buiten het gebied langs de rivieren van West- en Centraal-Afrika tot Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het Krugerpark op de lage bruggen over de Olifants, de Letaba en de Sabie: vaak staan er paren op de zandbanken onder de brug. Hun hoge roep verraadt ze al van ver. Let bij de vlucht op de bijna geheel witte vleugels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in Zuid-Afrika met een kleine populatie die afhankelijk is van natuurlijk stromende rivieren. Stuwdammen, zandwinning en onregelmatige waterafvoer vernietigen de zandbanken waarop de soort broedt.

Wetenschappelijke naam

Vanellus albiceps | Gould, 1834

Gould beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is het verkleinwoord van het Latijnse vannus, 'wanmolen' — naar het geluid en de vorm van de brede, ronde vleugels in vlucht, die aan een wiekende wanmolen doen denken. albiceps komt van het Latijnse albus, 'wit', en -ceps, 'kop' — naar de witte streep over de kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nigerrivier of Bioko (Equatoriaal-Guinea).