Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Sporenkievit

Sporenkievit | Vanellus spinosus

Spur-Winged Lapwing | Avefría Espolonada

De sporenkievit is in Oost- en Noordoost-Afrika een van de gewoonste waadvogels, maar bereikt zuidelijk Afrika nauwelijks. Het eerste geval in de regio was een vogel op de vloedvlakte van de Chobe in Botswana in 1989. De soort breidt zich zuidwaarts uit en houdt zich inmiddels plaatselijk op in het noorden van Malawi en Zambia.

Sporenkievit (Vanellus spinosus)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, metaalachtig tik of kiek, vaak herhaald, en een luide, drielettergrepige roep die in het Engels als did-he-do-it wordt weergegeven. Bij verstoring rumoerig, met duikvluchten boven het nest zoals bij de wapenkievit.

Luister: VluchtroepXC1073898

Opname: He Wenjin/文进 — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm. Een scherp getekende kievit met een zwarte kap tot onder het oog, witte wangen en halszijden, een zwarte streep midden over keel en voorhals en een zwarte borst en buik. De rug en de vleugeldekveren zijn zandbruin; de onderstaartdekveren en de stuit zijn wit. Het oog is rood, de snavel en de poten zijn zwart. In de vlucht vallen een brede witte diagonale band over de vleugel, de zwarte slagpennen en de witte staart met zwarte eindband op. Op de vleugelbocht zit een zwarte spoor. De geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met lichte veerzomen op de rug.

Verwarrings­soorten

De wapenkievit Vanellus armatus is de enige kievit in het gebied met een vergelijkbaar zwart-wit patroon, maar heeft een witte kruin en achterhals en een grijze, geen zandbruine rug. De witkruinkievit Vanellus albiceps heeft een witte onderzijde, een grijze kop met witte kruinstreep en lange gele lellen. Bij een kievit met zwarte buik en bruine rug aan de noordrand van het gebied gaat het vrijwel zeker om deze soort.

Leefgebied

Oevers van meren, rivieren, dammen en moerassen, en vochtige graslanden en rijstvelden bij water. Foerageert lopend over modder en korte vegetatie; het nest is een kuiltje op kale grond dicht bij het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Zeldzaam in het uiterste noorden van het gebied: plaatselijk en in kleine aantallen in het noorden van Malawi en Zambia. Ten zuiden daarvan een dwaalgast, met minder dan tien gevallen, vooral in het noorden van Botswana. Buiten het gebied algemeen van Tanzania en Kenia noordwaarts tot Soedan en Egypte, in de Sahel westwaarts tot Senegal, en verder in het Midden-Oosten; broedt ook in kleine aantallen in Zuidoost-Europa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk langs de oevers van het Malawimeer en in het noordoosten van Zambia tussen wapenkieviten en lelkieviten. In het zuiden is elke vogel met een zwarte buik en bruine rug een melding waard: een foto van de kop en de onderzijde is voldoende om de soort vast te leggen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in het grootste deel van het areaal en in zuidelijke richting in uitbreiding. In het gebied te zeldzaam om een eigen trend te hebben.

Wetenschappelijke naam

Vanellus spinosus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Charadrius spinosus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is het verkleinwoord van het Latijnse vannus, 'wanmolen' — naar het geluid en de vorm van de brede, ronde vleugels in vlucht, die aan een wiekende wanmolen doen denken. spinosus is Latijn voor 'doornig', van spina 'doorn', naar de scherpe spoor op de vleugelboeg. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.