Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Scopoli's pijlstormvogel
Scopoli's pijlstormvogel | Calonectris diomedea
Scopoli's Shearwater | Pardela Cenicienta Mediterránea
De Scopoli's pijlstormvogel is een grote, bruingrijze pijlstormvogel met een gele snavel, die met trage, soepele slagen en lange glijvluchten op licht gebogen vleugels over de golven scheert. In deze gids wordt de Atlantische vorm borealis, de Kuhls pijlstormvogel, als ondersoort meegerekend; juist die vorm is in de zomer het talrijkst voor de Kaap.
Geluid
Op zee vrijwel zwijgzaam; soms kort gekrijs bij gevechten om visafval achter trawlers. In de broedkolonies in het noorden een huilend, rauw en kinderlijk klinkend aa-uu-aa, dat 's nachts van de rotsen weerklinkt.
Opname: Pere Josa — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot, 44 tot 56 cm, met lange, brede vleugels. De bovendelen zijn warm grijsbruin, de kop is zachtgrijs en loopt zonder scherpe grens over in de witte keel, zodat de vogel een vriendelijk, uitgevlakt gezicht heeft. De stevige snavel is bleekgeel met een donkere band voor de punt. De onderdelen zijn wit, de ondervleugel is wit met een smalle donkere rand. Vaak een vage lichte band over de bovenstaartdekveren. Bij de nominaatvorm reikt het wit aan de onderkant van de handpennen verder naar de vleugelpunt dan bij borealis, die ook groter is en een zwaardere snavel heeft. Vliegt ontspannen, met diep doorhangende, gebogen vleugels en weinig vleugelslagen.
Verwarringssoorten
De grote pijlstormvogel (Ardenna gravis) heeft een scherp afgetekende donkere kap, een witte nekband, een duidelijke witte stuit en een donkere buikvlek, en vliegt stijver. De Australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) is geheel donker. Albatrossen zoals de Atlantische geelneusalbatros (Thalassarche chlororhynchos) zijn veel groter, met een donkere bovenvleugel en rug die contrasteren met de witte kop. Van een afstand kan een glijdende Scopoli's pijlstormvogel aan een kleine albatros doen denken; let op de uniform bruingrijze bovendelen en de gele snavel.
Leefgebied
Open zee, zowel boven het continentale plat als daarbuiten, vaak waar koud en warm water elkaar ontmoeten. Foerageert aan het oppervlak op scholen vis en inktvis, vaak samen met dolfijnen en tonijnen, en volgt trawlers voor visafval. Rust in groepen op het water. Broedt in holen en rotsspleten op eilanden in de Middellandse Zee en de oostelijke Atlantische Oceaan.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Een gewone zomergast voor de West- en Zuidkaap, van de Namibische kust tot de Agulhasbank, in kleinere aantallen tot voor de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal en zelden voor Mozambique. De Atlantische vorm borealis overheerst; de nominaatvorm wordt in kleiner aantal gezien. Broedt op eilanden in de Middellandse Zee (de nominaatvorm) en op de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden en de Berlengas (borealis). Overwintert in de Zuid-Atlantische Oceaan, voor zuidelijk Afrika en voor Zuid-Amerika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is op een pelagische tocht vanuit Kaapstad of Simonstad tussen november en april, bij de trawlers aan de rand van het continentale plat. Vanaf Kaap de Goede Hoop of Kaappunt zijn bij sterke wind soms groepen dicht onder de kust te zien. Om de vorm te bepalen: fotografeer de ondervleugel; de uitbreiding van het wit op de handpennen is het belangrijkste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar in de Middellandse Zee nemen de kolonies op veel plaatsen af. De grootste bedreigingen zijn bijvangst in de beugvisserij en met staande netten, predatie door ratten en katten in de kolonies en verlichting bij de broedplaatsen, waardoor jonge vogels verdwalen. Op veel broedeilanden lopen beschermingsprojecten.
Wetenschappelijke naam
Calonectris diomedea | (Scopoli, 1769)
Scopoli beschreef de soort in 1769 als Procellaria diomedea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calonectris werd in 1915 ingevoerd door Mathews & Iredale. Calonectris verbindt het Oudgriekse kalos 'goed, edel' met de geslachtsnaam Nectris, die de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl in 1820 voor pijlstormvogels gebruikte. diomedea verwijst naar de Griekse held Diomedes, wiens metgezellen na zijn dood in witte zeevogels werden veranderd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Tremiti-eilanden in Italië.
