Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Scharrelaar

Scharrelaar | Coracias garrulus

European Roller | Carraca Europea

De scharrelaar is de enige scharrelaar in het gebied die hier niet broedt: een trekvogel uit Europa en Azië die de noordelijke winter in de savannes van Oost- en zuidelijk Afrika doorbrengt. Hij is forser en egaler blauw dan de gaffelscharrelaar en zit net als die vrij op dode takken en draden, op trek vaak in losse groepjes.

Scharrelaar (Coracias garrulus)
Foto: Zeynel Cebeci — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het overwinteringsgebied grotendeels stil. Soms een kort, droog en krassend rak-rak of een schor kschaak, vooral bij onderling gekrakeel om een uitkijkpost of bij verstoring.

Luister: RoepXC1053510

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 31 cm, met een rechte staart zonder verlengde pennen. Kop, hals en onderdelen zijn helder turkoois- tot azuurblauw, mantel en schouders warm kaneelbruin. In vlucht steken de zwartachtige slagpennen scherp af tegen de lichtblauwe ondervleugel en de ultramarijn en turkooizen dekveren; de stuit is violetblauw. De seksen zijn nagenoeg gelijk. In het gebied zijn veel vogels in versleten of ruiend kleed te zien, doffer en groenig aangelopen; eerstejaars hebben een bruinig aangelopen kop en borst en fijne lichte streping op de keel.

Verwarrings­soorten

De gaffelscharrelaar (Coracias caudatus) heeft een lila keel en borst en bij volwassen vogels twee staartpunten; ook jonge gaffelscharrelaars zonder staartpunten tonen een lilabruine borst en een witachtig voorhoofd. De vlagstaartscharrelaar (Coracias spatulatus) is slanker, heeft een wit voorhoofd en buitenste staartpennen die in een spatel eindigen. De roodkruinscharrelaar (Coracias naevius) is purperbruin met witte streping en een witte wenkbrauwstreep. De breedbekscharrelaar (Eurystomus glaucurus) is kleiner, kaneelbruin en heeft een brede gele snavel.

Leefgebied

Droge, open savanne met verspreide bomen, doornveld, Kalahari-zandveld en open mopane- en gemengd bosveld, ook akkerland met draadleidingen langs wegen. Jaagt vanaf een uitkijkpost op grote insecten, vooral sprinkhanen en kevers, en verzamelt zich bij zwermende termieten na regenbuien. Dicht bos wordt gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid over het noorden en oosten van het gebied: Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana (vooral het oosten en de Kalahari), Noord-Namibië, Eswatini en het noorden en oosten van Zuid-Afrika; schaars naar het zuiden en westen en in Angola. Broedt van Noordwest-Afrika en Zuid- en Oost-Europa tot in Centraal-Azië en overwintert vooral in Oost- en zuidelijk Afrika, een kleiner deel in West-Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van december tot maart in het droge noorden van Zuid-Afrika, in Botswana en in Zimbabwe; in het Krugerpark en de Kalahari zitten er in natte zomers soms tientallen op draden langs de weg. Zoek tussen de gaffelscharrelaars naar de dikkere, egaal blauwe vogel zonder staartpunten. De voorjaarstrek in maart–april verloopt noordwaarts via Oost-Afrika.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de soort stond eerder als Gevoelig op de lijst, maar herstel in delen van Europa leidde tot een lagere categorie. In het broedgebied spelen het verdwijnen van oude bomen met nestholtes, de intensivering van de landbouw en jacht tijdens de trek een rol. In het overwinteringsgebied zijn het omzetten van savanne in akkerland en insecticiden de voornaamste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Coracias garrulus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coracias voerde hij in datzelfde werk in. Coracias is het Griekse woord voor een kraaiachtige vogel, bij Aristoteles gebruikt voor een kauw of raaf; latere auteurs pasten de naam toe op de scharrelaars, die in geen enkel opzicht met kraaien verwant zijn. garrulus is Latijn voor 'babbelend, luidruchtig', van garrire 'kwebbelen', naar de rauwe roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.