Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Gaffelscharrelaar

Gaffelscharrelaar | Coracias caudatus

Lilac-Breasted Roller | Carraca Lila

De gaffelscharrelaar is de meest contrastrijk gekleurde scharrelaar van de savanne, met een lila borst, een turkooizen buik en twee verlengde buitenste staartpennen. Hij zit vrij en hoog op dode takken en draadleidingen en laat zich daardoor van grote afstand opmerken.

Gaffelscharrelaar (Coracias caudatus)
Foto: Diego Delso — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een harde, rauwe en krassende reeks, zaak zaak zaak, en een ratelend gekrijs dat het luidst klinkt tijdens de baltsvlucht, waarbij de vogel steil opstijgt en al roepend rollend en schommelend omlaag duikt. Verder korte schorre kreten bij verstoring.

Luister: VluchtroepXC756688

Opname: Derek Solomon — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 36 cm, waarvan de twee smalle staartpunten 8 tot 9 cm uitmaken. Voorhoofd en teugels zijn wit, de kruin groenachtig, de mantel kaneelbruin; keel en borst zijn lila met fijne witte streping, de buik en onderstaartdekveren turkoois. In vlucht valt het patroon op de vleugel op: lichtblauwe dekveren tegen donker paarsblauwe slagpennen, met turkooizen banen langs de basis. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinig aangelopen borst en zonder verlengde staartpennen.

Verwarrings­soorten

De scharrelaar (Coracias garrulus), een palearctische trekvogel van november tot maart, mist de lila borst en de staartpunten en is geheel blauw van onder. De roodkruinscharrelaar (Coracias naevius) is forser, purperbruin met witte streping en heeft een rechte staart. De vlagstaartscharrelaar (Coracias spatulatus) heeft blauwe in plaats van lila onderdelen en staartpennen die in een spatel eindigen. De breedbekscharrelaar (Eurystomus glaucurus) is kleiner, kaneelbruin en heeft een brede gele snavel.

Leefgebied

Open acaciasavanne, breedbladig bos met open plekken, bosranden en omgewerkt akkerland met resterende bomen. Jaagt vanaf een uitkijkpost op sprinkhanen, kevers, schorpioenen, hagedissen, kleine slangen en jonge knaagdieren, die op de grond worden gegrepen. Dicht bos en echte woestijn worden gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijd verspreid over de savannegordel van het gebied: het noorden van Zuid-Afrika, Eswatini, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola. Ontbreekt in het dorre zuidwesten, de Karoo en de Kaap. Verder noordwaarts door Oost- en Midden-Afrika tot in Ethiopië en Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het droge seizoen, van mei tot oktober, wanneer het blad grotendeels weg is en de vogels ver zichtbaar zijn op dode kruinen en langs wegen zittende draadleidingen. Rijd langzaam en scan elke kale tak. De baltsvlucht met rollende duiken valt van september tot december.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over het hele areaal wijdverspreid. Plaatselijk nemen aantallen af door het rooien van savannebos, het verdwijnen van dode bomen met nestholtes en het effect van insecticiden op grote insecten. Doordat de soort graag langs wegen jaagt, is verkeer een terugkerende doodsoorzaak.

Wetenschappelijke naam

Coracias caudatus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Coracias werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Coracias is het Griekse woord voor een kraaiachtige vogel, bij Aristoteles gebruikt voor een kauw of raaf; latere auteurs pasten de naam toe op de scharrelaars, die in geen enkel opzicht met kraaien verwant zijn. caudatus is Latijn voor 'gestaart', naar de verlengde buitenste staartveren die als linten achter de vogel aan wapperen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.