Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Roesthalsnachtzwaluw

Roesthalsnachtzwaluw | Caprimulgus pectoralis

Fiery-Necked Nightjar | Chotacabras Músico

De roesthalsnachtzwaluw is de meest verbreide nachtzwaluw van het bosveld van zuidelijk Afrika. Zijn dalende, weemoedige fluitzang, in het Engels vertaald als Good Lord, deliver us, is voor velen hét geluid van een Afrikaanse nacht.

Roesthalsnachtzwaluw (Caprimulgus pectoralis)
Foto: Alan Manson — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een heldere, dalende reeks fluittonen, tjoe-wie-tie-tie-tie-trrrr, eindigend in een trillertje; het ritme wordt weergegeven als Good Lord, deliver us. Wordt vanaf een tak of paal herhaald, vooral in de schemering en bij volle maan, en het hele jaar door te horen, het meest van augustus tot november.

Luister: ZangXC708909

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

23–25 cm. Een middelgrote, warm gekleurde nachtzwaluw met een fijn gevermiculeerde grijsbruine bovenzijde, een brede roestbruine nekband en een roestbruine tot oranjebruine keel en bovenborst, met een witte keelvlek. De kruin is grijzig met zwarte strepen, de schouderveren hebben zwarte vlekken met een lichte rand. Het mannetje heeft grote witte vlekken op de vier buitenste handpennen en brede witte punten aan de twee buitenste staartpennen; bij het vrouwtje zijn de vleugelvlekken kleiner en bleker en is het wit in de staart beperkter.

Verwarrings­soorten

De roodwangnachtzwaluw (Caprimulgus rufigena) is bleker en grijzer, met minder roestbruin op keel en borst, en snort in plaats van te fluiten. De Gabonnachtzwaluw (Caprimulgus fossii) heeft een smallere, minder opvallende kraag en wit langs de hele buitenrand van de staart. De Ethiopische nachtzwaluw (Caprimulgus poliocephalus) in de bergen van Malawi en Zambia is donkerder met meer wit in de staart. De nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) is groter, grijzer en zonder roestkraag.

Leefgebied

Bosveld van allerlei aard: miombo, gemengd bosveld, mopane en acaciasavanne met grote bomen, oeverbos, bosranden, plantages van eucalyptus en den, en grote tuinen. Rust overdag op de grond in het bladstrooisel, soms op een tak. Jaagt vanaf een uitkijkpost op motten en kevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid over het grootste deel van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië en in Zuid-Afrika van Limpopo, Mpumalanga en KwaZulu-Natal langs de oostkust tot in de Oost- en West-Kaap; ook Eswatini. Ontbreekt in het droge westen, de Karoo en de Namib. Verder noordwaarts tot Congo-Kinshasa, Oeganda en Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het hele jaar, maar vooral op heldere lente-avonden van augustus tot november. Volg de zang naar een dode tak of een paal langs een bosweg; in het licht van een zaklamp gloeien de ogen rood op. Overdag vind je de vogel alleen als hij vlak voor je voeten uit het strooisel opvliegt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het grootste deel van het gebied algemeen. De soort profiteert plaatselijk van plantages en grote tuinen. Verkeersslachtoffers en kap van bosveld zorgen voor lokale afnames.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus pectoralis | Cuvier, GLCFD, 1816

Cuvier, GLCFD beschreef de soort in 1816 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. pectoralis is Latijn voor 'van de borst', van pectus, 'borst' — naar de roestkleurige halsband en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Knysna, Zuid-Afrika.