Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Ethiopische nachtzwaluw

Ethiopische nachtzwaluw | Caprimulgus poliocephalus

Montane Nightjar | Chotacabras Abisinio

De Ethiopische nachtzwaluw is een bergsoort van Oost-Afrika die het gebied alleen in het uiterste noordoosten bereikt, op de hoogvlakten van Malawi en Zambia. Daar vervangt hij in het montane grasland met bosjes de roesthalsnachtzwaluw van het laagland.

Ethiopische nachtzwaluw (Caprimulgus poliocephalus)
Foto: This image was produced by me, David Castor (user:dcastor). The pictures I submit to the Wikipedia Project are released to the public domain. This gives you the right to use them in any way you like, without any kind of notification. This said, I would still appreciate to be mentioned as the originator whenever you think it complies well with your use of the picture. A message to me about how it has been used would also be welcome. You are obviously not required to respond to these wishes of mine, just in a friendly manner encouraged to. (All my photos are placed in Category:Images by David Castor or a subcategory thereof.) — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, doordringende en wat klagende fluittoon, pieeuw-wierr, vaak met korte tussenpozen herhaald; korter en schriller dan de zang van de roesthalsnachtzwaluw. Roept vooral in de schemering en bij maanlicht vanaf een tak, rots of paal.

Luister: ZangXC942594

Opname: David Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm. Een vrij kleine, donkere nachtzwaluw met een grijsbruine, sterk gespikkelde en gevlekte bovenzijde, een onduidelijke roestbruine nekband en een donkere borst met fijne lichte vlekjes. De keel heeft aan weerszijden een witte vlek. Het mannetje heeft witte vlekken op de vier buitenste handpennen en opvallend veel wit in de staart: de buitenste staartpennen zijn grotendeels wit. Bij het vrouwtje zijn de vleugelvlekken bleker en is het wit in de staart beperkter en vuiler.

Verwarrings­soorten

De roesthalsnachtzwaluw (Caprimulgus pectoralis) is warmer en lichter van kleur, met een duidelijke roestbruine kraag en borst en minder wit in de staart; de twee soorten komen in de overgangszone op middelhoogte samen voor. De rotsnachtzwaluw (Caprimulgus tristigma) is groter, donkerder en zit op kale rots. Op de hoogvlakte zelf is geen andere nachtzwaluw te verwachten.

Leefgebied

Montaan grasland met verspreide bosjes, bosranden en open plekken in nevelwoud, ook dennenplantages en struwelen, meestal boven 1500 m. Rust overdag op de grond in dekking van gras of struiken. Jaagt op motten en kevers langs bosranden en boven grasland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noordoosten: in Malawi op de Nyika, de Viphya-hoogvlakte en zuidwaarts tot de Zomba- en Mulanje-massieven, en in Zambia op het Zambiaanse deel van de Nyika en de Mafinga-heuvels. Verder van Ethiopië via Kenia, Oeganda en het oosten van Congo-Kinshasa tot in Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best op de Nyika-hoogvlakte in Malawi, waar de vogels bij het lodgegebied en langs de randen van de bosjes in de schemering roepen. Luister naar de hoge fluittoon en zoek de vogel met een zaklamp op een paal of rotsblok; bij het opvliegen valt het vele wit in de staart op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In het gebied is de soort beperkt tot enkele hoogvlakten, waar zij plaatselijk algemeen is. Branden, begrazing en omzetting van bergbos en grasland in landbouwgrond of plantages kunnen het leefgebied plaatselijk aantasten.

Wetenschappelijke naam

Caprimulgus poliocephalus | Rüppell, 1840

Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Caprimulgus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Caprimulgus is Latijn, van capra 'geit' en mulgere 'melken', naar het oude volksgeloof dat nachtzwaluwen 's nachts geiten leegzogen. poliocephalus komt van het Griekse polios, 'grijs', en kephalē, 'kop': 'grijskop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kulla, Ethiopië.