Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Noordse nachtegaal

Noordse nachtegaal | Luscinia luscinia

Thrush Nightingale | Ruiseñor Ruso

De noordse nachtegaal is een Palearctische trekvogel die van december tot april in dichte struwelen in het noordoosten van het gebied overwintert. Hij leeft zo verborgen dat hij vrijwel alleen wordt opgemerkt aan zijn krachtige zang, die vanaf februari uit ondoordringbaar struikgewas klinkt.

Noordse nachtegaal (Luscinia luscinia)
Foto: Egor Vlasov — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is luid en gevarieerd, met diepe, klokkende tsjoek-tsjoek-reeksen, harde ratels en zuivere fluittonen, maar zonder het aanzwellende piu-piu-piu van de nachtegaal; typisch zijn de droge, kastanjetachtige salvo's. In het overwinteringsgebied zingt hij vooral van februari tot april, ook 's nachts. De roep is een hoog, fluitend hiied en een laag, krakend errr.

Luister: ZangXC1165145

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Een vrij grote, rechtop staande zanger van 16 cm met een ronde kop, een groot donker oog en lange, roze poten. De bovenzijde is effen donker olijfbruin, de staart dof roodbruin en weinig afstekend. De onderzijde is vuilwit met een grijsbruine borst die vaag gevlekt of gewolkt is, en een lichte keel die door een donkere baardstreep wordt begrensd. Er is een smalle lichte oogring maar geen duidelijke wenkbrauwstreep. De seksen zijn gelijk. Scharrelt op de grond onder dichte dekking, heft vaak de staart en laat de vleugels hangen.

Verwarrings­soorten

De nachtegaal (Luscinia megarhynchos), die in het gebied nauwelijks is vastgesteld, is warmer bruin met een fellere roestrode staart en een effen, ongevlekte borst. De rosse waaierstaart (Cercotrichas galactotes) heeft een duidelijke witte wenkbrauwstreep en een roodbruine, waaiervormig gespreide staart met zwart-witte punten. De witbrauwwaaierstaart (Cercotrichas leucophrys) heeft een witte wenkbrauw, witte vleugelstrepen en een gestreepte borst. De grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus) zingt eveneens luid uit dekking, maar is lichter, heeft een lange spitse snavel en leeft in riet en ruigte bij water.

Leefgebied

Dicht, vaak doornig struikgewas in savanne en bosveld, verstrengeld struweel langs rivieren en droge beddingen, bosjes op termietheuvels en de randen van oeverbos; meestal onder de 1.500 m. Foerageert op de grond in het strooisel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in het noordoosten: Zambia (vooral het oosten en de Luangwavallei), Malawi, Zimbabwe, Mozambique, het noorden van Botswana, de Zambezi-regio van Namibië en in Zuid-Afrika vooral Limpopo en het noorden van Mpumalanga (Krugerpark), zeldzamer tot in KwaZulu-Natal; schaars in het oosten van Angola. Broedt van Oost-Europa en Scandinavië tot West-Siberië en overwintert in Oost- en zuidelijk Afrika, van Kenia tot het noorden van Zuid-Afrika.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van december tot april, het vaakst waargenomen van februari tot begin april, wanneer de vogels zingen. Ga in de vroege ochtend langs dicht struweel in het Krugerpark, de Luangwa- of Zambezivallei staan en luister naar de klokkende en ratelende salvo's. Hij wordt minder vaak gezien dan gehoord: wacht geduldig bij een open plek in de struiken, want de vogel komt soms kort naar de rand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De broedpopulatie is groot en is de afgelopen decennia naar het westen uitgebreid. In het overwinteringsgebied verdwijnt plaatselijk geschikt struweel door ontginning en overbegrazing, maar de soort gebruikt ook verwaarloosd en secundair struikgewas.

Wetenschappelijke naam

Luscinia luscinia | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Luscinia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Luscinia werd in 1817 ingevoerd door Forster. Luscinia is het Latijnse woord voor 'nachtegaal'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.