Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Lijstervliegenvanger

Lijstervliegenvanger | Agricola infuscatus

Chat Flycatcher | Papamoscas Tarabilla

De lijstervliegenvanger is de grootste vliegenvanger van het gebied, een bruingrijze, tapuitachtige vogel van de droge westelijke vlakten. Hij zit rechtop op een struik, paal of draad en laat zich naar de grond vallen om een prooi te pakken, en lijkt daardoor meer op een spekvreter dan op een vliegenvanger.

Lijstervliegenvanger (Agricola infuscatus)
Foto: Yathin S Krishnappa — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een gevarieerd, rijk mengsel van fluitende, krassende en kwetterende tonen, vaak voor zonsopgang en soms 's nachts. De roep is een schor tsjirrp en een zacht tsjuk.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Een forse, langvleugelige vliegenvanger van 18–20 cm. De bovendelen zijn effen bruingrijs, de onderzijde lichter zandbruin tot vuilwit. Brede lichte zomen aan de grote dekveren en armpennen vormen in rust een opvallend licht vleugelpaneel. De staart is vrij lang en egaal donkerbruin, zonder rood of wit. De snavel is zwart en vrij fors. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn licht gevlekt. Duikt vanaf een uitkijkpost naar de grond of vangt insecten in de lucht, en keert daarna naar dezelfde of een nabije post terug.

Verwarrings­soorten

De Maricovliegenvanger (Bradornis mariquensis) is kleiner, met een zuiver witte onderzijde die scherp afsteekt tegen de bruine rug, en leeft in acaciasavanne. De vale vliegenvanger (Agricola pallidus) is kleiner en zachter getekend, zonder licht vleugelpaneel, en leeft in vochtiger bosveld in het noorden en oosten. De Karoospekvreter (Emarginata schlegelii) is kleiner en grijzer, met witte buitenste staartpennen; de vlaktespekvreter (Emarginata sinuata) en de roodstaartspekvreter (Oenanthe familiaris) hebben roestbruin in stuit of staart. Het formaat, het lichte vleugelpaneel en de effen donkere staart geven de doorslag.

Leefgebied

Nama-Karoo, randen van de Sukkulente Karoo, Kalahari-doornveld en andere droge, open struikvlakten met verspreide struiken, bomen of afrasteringen als uitkijkpost. Mijdt dichte vegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een soort van het droge zuidwesten van Afrika. In Namibië wijd verbreid behalve in het noordoosten, verder in het zuidwesten en midden van Botswana, in Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, het westen van de Vrijstaat en de Karoo van de West- en Oost-Kaap, en in het zuidwesten van Angola. Deels nomadisch; na regen trekt hij lokaal naar gebieden met veel insecten. De soort komt buiten zuidelijk Afrika niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd door de Karoo of het Kalahari-doornveld en let op grote bruine vogels op afrasteringspalen en telefoondraden die steeds naar de grond duiken. Het lichte vleugelpaneel is in rust zichtbaar. Een ‘vliegenvanger’ ter grootte van een lijster in open, droog land is vrijwel altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is wijd verbreid en plaatselijk algemeen, en de aantallen lijken stabiel. Droogte beïnvloedt de lokale dichtheid sterk, maar de soort verplaatst zich naar gebieden waar het wel geregend heeft.

Wetenschappelijke naam

Agricola infuscatus | (Smith, 1839) (GBIF: Bradornis infuscatus)

Smith beschreef de soort in 1839 als Saxicola infuscata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Agricola werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Agricola is Latijn voor 'landbouwer, akkerbewerker', van ager, agri, 'akker, veld', en -cola, 'bewoner' (van colere, 'bewonen'). infuscatus is Latijn voor 'donker gemaakt, verduisterd' — naar het egaal donkerbruine verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Booisberg, bij Nuwerus, West-Kaap, Zuid-Afrika.