Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Kaapse vliegenvanger

Kaapse vliegenvanger | Muscicapa adusta

African Dusky Flycatcher | Papamoscas Sombrío

De Kaapse vliegenvanger is een kleine, donkere en onopvallende vliegenvanger van bosranden, oeverbos en lommerrijke tuinen. Hij zit rechtop en roerloos op een lage, beschaduwde tak en schiet telkens kort uit om een insect in de lucht te vangen, waarna hij vaak naar dezelfde zitplaats terugkeert.

Kaapse vliegenvanger (Muscicapa adusta)
Foto: Becky Matsubara from El Sobrante, California — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgzaam. De roep is een dun, hoog tsiiep of tsst, soms gevolgd door een droog tsirr. De zang is een zachte, hoge reeks piepende en kwetterende noten, tsi-tsi-tsirrit, die vaak wordt gemist.

Luister: RoepXC1163086

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, een gedrongen, kortstaartige vliegenvanger met een ronde kop en een brede, platte snavel met een lichte ondersnavelbasis. De bovenzijde is donker grijsbruin, de onderzijde vuilwit met een grijsbruine, vaag gevlekte waas over borst en flanken. Een smalle lichte oogring en een lichte teugelvlek geven het gezicht een zachte, ‘verbaasde’ uitdrukking. De vleugels zijn kort, met smalle lichte randen aan de armdekveren en tertials. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn bovenaan licht gespikkeld en op de borst donker geschubd. Schokt bij het landen met de vleugels.

Verwarrings­soorten

De grauwe vliegenvanger Muscicapa striata is groter en slanker, met lange vleugels, een gestreepte kruin en scherpere borststreping; hij is alleen van oktober tot april aanwezig en zit vaker hoog en open. De blauwgrijze vliegenvanger Fraseria caerulescens is blauwgrijs met een zwart teugelstreepje en een witte streep erboven. De vale vliegenvanger Agricola pallidus is groter, lichter bruin en effen, en leeft in open bosveld in plaats van bosranden. Binnen het gebied is de effen donkere tint, de korte staart en de schaduwrijke zitplek meestal genoeg.

Leefgebied

Randen en open plekken van inheems bos, van kust- tot bergbos, oeverbos langs rivieren en beken, dichte struikgroepen in kloven, plantages van exoten, parken en tuinen met hoge bomen. Jaagt vanaf lage, beschaduwde takken op vliegende insecten en pakt soms prooi van de grond. Het nest is een klein kommetje in een boomholte, een scheur in de bast, tussen klimop of op een muurrichel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika langs de zuid- en oostkust van de West-Kaap tot KwaZulu-Natal en in het oostelijke binnenland tot Mpumalanga en de Limpopo-escarpment, verder in Eswatini, plaatselijk in Lesotho en in het oostelijke hoogland van Zimbabwe. In Mozambique vooral in de bergen en langs de kust, voorts in Malawi, het noorden en oosten van Zambia en het westelijke en centrale hoogland van Angola; ontbreekt in het droge westen en in het grootste deel van Botswana en Namibië. Daarbuiten van Kameroen en Oost-Afrika tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de schaduw langs een bosrand of beekloop naar een klein, donker vogeltje dat steeds van dezelfde lage tak opvliegt. In Kaapse en Natalse tuinen is hij vaak vertrouwelijk. In de winter trekken hooglandvogels deels naar lagere, warmere bossen, zodat hij dan ook in kustbos en tuinen opduikt waar hij in de zomer ontbreekt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid, en in Zuid-Afrika heeft de soort geprofiteerd van tuinen en bomenrijen van exoten. Plaatselijk gaat leefgebied verloren door kap van inheems bos, maar de soort past zich goed aan aan secundair bos en aanplant.

Wetenschappelijke naam

Muscicapa adusta | (Boie, 1828)

Boie beschreef de soort in 1828 als Butalis adusta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Muscicapa werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Muscicapa is Latijn, van musca 'vlieg' en capere 'vangen'. adusta is Latijn voor 'verschroeid, verbrand' — naar de doffe, bruingrijze kleur van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit omgeving van Knysna, West-Kaap, Zuid-Afrika.