Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Kaapse mees
Kaapse mees | Melaniparus afer
Grey Tit | Carbonero Gris
De Kaapse mees is de mees van fynbos en Karoostruweel: zwarte kop en bef, een witte wangstreep, een bruingrijze rug en een okerkleurige waas van onderen. Zijn fluitende roep, die in het Afrikaans de naam 'Piet-tjou-tjou-grysmees' opleverde, is typisch voor de droge heuvels van de Kaap. De soort komt vrijwel alleen in Zuid-Afrika voor.
Geluid
Een fluitende, driedelige roep, piet-tjou-tjou of tjie-tjoe-tjoe, met een hogere eerste toon, en daarnaast een schorre, raspende tsjerr-tsjerr. Paren roepen elkaar vaak toe tijdens het foerageren.
Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13 cm. Kap, keel en een middenstreep over de borst zijn zwart, met een brede witte band van de snavelbasis naar de halszijde en een witte nekvlek. De rug is bruingrijs, duidelijk warmer dan bij de acaciamees. Buik en flanken zijn lichtgrijs met een zachte oker- tot zandkleurige waas. De vleugels zijn donker met witte randen aan dekveren en armpennen, de staart donker met witte buitenranden. De snavel is kort en zwart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bruinere kap.
Verwarringssoorten
De acaciamees Melaniparus cinerascens heeft hetzelfde kopdessin, maar een koel blauwgrijze rug en een grijze buik zonder okerwaas, en leeft in doornveld; in de overgangszone in de Karoo komen tussenvormen voor. De roetmees Melaniparus niger in het oosten is grotendeels zwart. De Kaapse kapokmees Anthoscopus minutus is veel kleiner, met een geelachtige buik, een zwart voorhoofd met witte stippen en een kort, spits snaveltje.
Leefgebied
Fynbos, renosterveld, struweel van de Sukkulente en Nama-Karoo, droge rivierbeddingen en rotsige heuvels met laag struikgewas; ook in boerentuinen. Foerageert laag in struiken en op de grond op insecten en zaden. Nestelt in een holte in een rotsspleet, een wal, een paal of een boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vrijwel endemisch in Zuid-Afrika: de West-Kaap, het westen en zuiden van de Noord-Kaap (Namakwaland, Boesmanland en de Karoo) en het westen van de Oost-Kaap, tot in het zuidwesten van de Vrijstaat. Daarbuiten alleen in het uiterste zuiden van Namibië langs de Oranjerivier en in het westen en zuiden van Lesotho.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond in fynbos en Karoostruweel; volg de fluitende piet-tjou-tjou. Goede plekken zijn de Cederberg, het Tankwa-Karoo National Park, het Karoo National Park en de fynbos rond Kaapstad. Waar acaciamees en Kaapse mees elkaar raken, het best letten op rugkleur en buikwaas.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen in het grootste deel van het areaal. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend; omzetting van renosterveld in akkerland heeft plaatselijk habitat gekost.
Wetenschappelijke naam
Melaniparus afer | (Gmelin, 1789) (GBIF: Parus afer)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Parus afer; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melaniparus werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Melaniparus combineert het Griekse melas, 'zwart', met Parus, het Latijn voor 'mees' — naar het overwegend zwarte verenkleed van veel soorten. afer is Latijn voor 'Afrikaans' — de mees werd beschreven van de Kaap de Goede Hoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.


