Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Acaciamees

Acaciamees | Melaniparus cinerascens

Ashy Tit | Carbonero Cinéreo

De acaciamees is de blauwgrijze mees van het droge doornveld in het westen van zuidelijk Afrika: een zwarte kop en bef met een brede witte wangstreep, en verder koel asgrijs. Hij doorzoekt luidruchtig de takken van acacia's en sluit zich vaak aan bij gemengde foerageergroepen. De soort is endemisch voor zuidelijk Afrika.

Acaciamees (Melaniparus cinerascens)
Foto: Derek Keats — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luidruchtig. Een harde, raspende roep, tsjrr-tsjrr-tsjrr, vaak gevolgd door heldere fluittonen. De zang is een herhaalde, doordringende reeks, tjoe-tjoe-tjoe of pie-pie-tsjerr, die in de broedtijd vanaf een boomtop wordt herhaald.

Luister: AlarmroepXC1175769

Opname: Campbell Fleming — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

14 cm. Kap, keel en een brede middenstreep over de borst zijn zwart; een brede witte band loopt van de snavelbasis onder het oog door naar de halszijde en wordt achter de nek aangevuld door een witte nekvlek. Rug en stuit zijn egaal blauwgrijs, de flanken en de buik lichter asgrijs zonder bruine of okerkleurige waas. De vleugels zijn zwartachtig met brede witte randen aan de dekveren en de binnenste armpennen, de staart is zwart met witte buitenranden. De snavel is kort en zwart. De seksen zijn vrijwel gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een bruinzwarte kap.

Verwarrings­soorten

De Kaapse mees Melaniparus afer heeft hetzelfde kopdessin, maar een bruingrijze rug en een okerkleurige waas op buik en flanken; beide overlappen alleen in een smalle strook in de Karoo, waar menging voorkomt. De miombomees Melaniparus griseiventris van het miombo in het noorden is bleker, met een lichtgrijze tot witachtige buik en een smallere zwarte borststreep; de habitats sluiten elkaar vrijwel uit. De roetmees Melaniparus niger en Carps mees Melaniparus carpi zijn grotendeels zwart en missen de witte wangstreep.

Leefgebied

Acaciasavanne, Kalahari-doornveld, droge rivierbeddingen met doornbomen en struweel in de Nama-Karoo, tot in boerenerven en droge tuinen. Zoekt insecten, larven en spinnen tussen twijgen en schors, houdt zich soms ondersteboven aan dunne takjes vast en hakt harde prooien open onder een poot. Nestelt in een holte in een boom of paal.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch in zuidelijk Afrika. Wijdverspreid in Namibië (behalve de kale Namib), in het westen, midden en zuiden van Botswana, en in het zuidwesten van Angola. In Zuid-Afrika in de Noord-Kaap, Noordwest, de Vrijstaat en het westen van Limpopo, zuidwaarts door de Karoo tot in de Oost-Kaap. Het ontbreekt in de vochtige oostelijke laaglanden en in het fynbos.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond in doornveld; meestal opgemerkt op het geluid, want de raspende roep en de fluittonen dragen ver. Let in de Karoo op de buik: koel grijs wijst op de acaciamees, een okerkleurige waas en een bruinere rug op de Kaapse mees. In de winter vaak in groepjes met priritvliegenvangers, eremomela's en kapokmezen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen in geschikt doornveld. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend. Het kappen van oude acacia's met nestholtes kan plaatselijk een rol spelen, maar de soort gebruikt ook palen en kunstmatige holtes.

Wetenschappelijke naam

Melaniparus cinerascens | (Vieillot, 1818) (GBIF: Parus cinerascens)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Parus cinerascens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melaniparus werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte. Melaniparus combineert het Griekse melas, 'zwart', met Parus, het Latijn voor 'mees' — naar het overwegend zwarte verenkleed van veel soorten. cinerascens is Latijn voor 'grijzig, asgrauw', van cinis, 'as' — naar de grijze rug en flanken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pelladrift, Noord-Kaap, Zuid-Afrika.