Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Kaapse lawaaimaker

Kaapse lawaaimaker | Dessonornis caffer

Cape Robin-Chat | Cosifa Cafre

De Kaapse lawaaimaker is de bekendste lawaaimaker van zuidelijk Afrika: een tamme, grondfoeragerende vogel van tuinen, bosranden en fynbos, met een oranje borst en een oranjerode staart met donker midden. De Afrikaanse naam Gewone janfrederik bootst zijn zang na. Hij is een vaste waardvogel van de heremietkoekoek.

Kaapse lawaaimaker (Dessonornis caffer)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een melodieuze, herhaalde reeks heldere fluittonen, vaak weergegeven als tjee-tjee-rie-wie of het Afrikaanse jan-fre-de-rik, gezongen vanaf een beschutte post, vooral bij zonsopkomst en schemering. Hij imiteert soms andere vogels, maar veel minder dan de witkeel- en de witbrauwlawaaimaker. Alarm is een raspend tsjrrr of een dof wurr; bij onrust ook een schor tsjrrt.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Een middelgrote lawaaimaker van 16 tot 18 cm. De bovenzijde is grijsbruin, de kop donkerder met een smalle witte wenkbrauwstreep en zwartige wangen. Keel en bovenborst zijn oranje, overgaand in een grijze onderborst en flanken en een witachtige buik; de onderstaartdekveren zijn oranjegeel. De staart is oranjerood met een donkerbruin middenpaar, goed te zien als de vogel met gespreide staart landt. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn donker bruin met okerkleurige vlekjes. Hopt over de grond, wipt de staart op en laat de vleugels hangen.

Verwarrings­soorten

De witkeellawaaimaker (Dessonornis humeralis) heeft een witte keel, een wit vleugelstreepje en een oranje borst en flanken, en leeft in droger bosveld. De witbrauwlawaaimaker (Cossypha heuglini) en de roodkaplawaaimaker (Cossypha natalensis) zijn geheel oranje van onderen; de eerste heeft een brede witte wenkbrauw en zwart kopje, de tweede een effen oranje kop. De choristerlawaaimaker (Cossypha dichroa) heeft een donkergrijze kop zonder wenkbrauwstreep en een geheel oranje onderzijde. De grijsgrauwe borst en flanken met de afgebakende oranje keel zijn bij de Kaapse lawaaimaker kenmerkend.

Leefgebied

Bosranden en open plekken in montaan en kustbos, fynbos, struikgewas in kloven, oeverstruweel, parken en tuinen, van zeeniveau tot boven 3000 m in de Drakensberg. In het noordelijke deel van het gebied alleen in hooglandbos en bosranden. Foerageert op de grond op insecten, wormen en kleine vruchten, altijd dicht bij dekking.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid en algemeen in Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini, van de Kaap tot het Hoëveld en de Drakensberg, maar schaars in de droge Noord-Kaap en Karoo buiten valleien met struikgewas. In Namibië alleen in het zuiden langs de Oranjerivier en plaatselijk in het centrale hoogland; in Botswana schaars in het zuidoosten. Verder in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe en het aangrenzende Mozambique, in de hooglanden van Malawi en in het noordoosten van Zambia (Nyika, Mafinga). Buiten het gebied in de oostelijke Afrikaanse hooglanden tot in Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In tuinen in Zuid-Afrika is de soort bijna onvermijdelijk; kijk vroeg in de ochtend op gazons onder struiken. In de noordelijke hooglanden (Nyika, Nyanga, Mulanje) deelt hij de bosranden met andere lawaaimakers: let daar op de grijze borst en flanken en op de korte, heldere zangfrasen zonder imitaties.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Een zeer algemene en aanpassingsvaardige soort die sterk heeft geprofiteerd van tuinen, parken en aanplant. Lokaal lijdt hij onder katten en het opruimen van dichte ondergroei. Hij is een belangrijke waardvogel van de heremietkoekoek en andere koekoeken.

Wetenschappelijke naam

Dessonornis caffer | (Linnaeus, 1771)

Linnaeus beschreef de soort in 1771 als Motacilla caffra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dessonornis werd in 1836 ingevoerd door Smith. Dessonornis is een drukfout voor Bessonornis, van het Griekse bēssa, 'bebost dal', en ornis, 'vogel'; de beschrijver Andrew Smith verbeterde de spelling later zelf, maar de oorspronkelijke vorm geldt. caffer is een verouderde, achttiende-eeuwse geografische aanduiding voor het zuidoosten van Afrika en de Kaap, waar het eerste exemplaar vandaan kwam; de term was in de wetenschappelijke naamgeving van die tijd gangbaar maar wordt tegenwoordig als kwetsend beschouwd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.