Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Hererotapuit

Hererotapuit | Namibornis herero

Herero Chat | Papamoscas Herero

De Hererotapuit is een onopvallende, grijsbruine vliegenvanger van de droge rotshellingen langs de Namibische escarpment, een van de gezochte bijna-endemen van het gebied. Hij zit stil en laag in de schaduw van een struik of boompje en valt vooral op door de roestkleurige stuit als hij wegvliegt.

Hererotapuit (Namibornis herero)
Foto: H.-U. Küenle — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, heldere en welluidende strofe van enkele fluittonen, ongeveer twie-diedel-oo-die, vooral vroeg in de ochtend en in de broedtijd tijdens de zomerregens. Als contact- en alarmroep klinken een zacht tsjik en een droog trrr. Buiten de broedtijd is de soort grotendeels stil, zodat ze vaak over het hoofd wordt gezien.

Luister: ZangXC892942

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm, een slanke, rechtop zittende vogel met een vrij lange staart. De bovendelen zijn grijsbruin, stuit en staartbasis warm roestbruin, het staarteinde en de middelste pennen donkerbruin. De kop toont een duidelijke witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep en een lichte wang met een dun donker baardstreepje. De onderdelen zijn vuilwit met fijne, donkere lengtestreepjes op keel en borst. Snavel en poten zijn zwart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn licht gevlekt op de bovendelen. Laat zich van een lage tak op de grond vallen om een insect te grijpen en keert dan naar een schaduwrijke zitplaats terug.

Verwarrings­soorten

De lijstervliegenvanger (Agricola infuscatus) is groter, egaal bruin zonder wenkbrauwstreep of roestkleurige stuit en toont een licht vleugelpaneel; hij zit bovendien open op struiktoppen. De roodstaartspekvreter (Oenanthe familiaris) heeft een roestrode staart met een donkere T-tekening, geen streping op de borst en schokt voortdurend met de vleugels. De Kalahariwaaierstaart (Cercotrichas paena) heeft een roestrode staart met zwart-witte punten, die hij opwipt en uitwaaiert, en zit meestal op de grond in zandig doornveld. Het vrouwtje van de kortteenrotslijster (Monticola brevipes) is geschubd op de borst en heeft een geheel roestbruine buitenstaart.

Leefgebied

Droge, rotsige hellingen, heuvelvoeten en inselbergen met verspreide bomen en struiken, zoals Commiphora, acacia's en mopane, vooral in de overgangszone tussen de Namibwoestijn en de hoogvlakte. Foerageert op insecten die hij vanaf een lage zitplaats op de grond vangt. Het nest is een napje in een boomvork, vaak in een Commiphora; broedt na de zomerregens.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Nagenoeg beperkt tot het gebied: een smalle strook langs de westelijke escarpment van Namibië, van de Naukluft en de omgeving van Rehoboth noordwaarts via de Erongo, de Spitzkoppe, de Brandberg en Damaraland tot het Kaokoveld, en verder tot in het zuidwesten van Angola (provincie Namibe en de voet van de escarpment in Huíla). Daarbuiten komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem in de Erongo en rond de Spitzkoppe, en op rotshellingen in Damaraland rond Kamanjab en Hobatere. Loop vroeg in de ochtend langzaam langs de voet van rotsheuvels met verspreide Commiphora-struiken en let op een grijze vogel die laag in de schaduw zit en even naar de grond duikt. Na de zomerregens, van februari tot april, zingt hij het meest en wordt hij het vaakst waargenomen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; eerder als gevoelig beschouwd, maar de populatie blijkt groter en stabieler dan gedacht. Het leefgebied is dunbevolkt en wordt weinig bedreigd, al kan plaatselijk overbegrazing en houtkap in de rotsige heuvelvoeten de vegetatie aantasten.

Wetenschappelijke naam

Namibornis herero | (Meyer de Schauensee, 1931)

Meyer de Schauensee beschreef de soort in 1931 als Bradornis herero; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Namibornis werd in 1935 ingevoerd door Bradfield. Namibornis combineert 'Namib' met het Griekse ornis, 'vogel' — naar de Namibwoestijn en haar randgebergte, waar de hererotapuit leeft. herero verwijst naar de Herero en het vroegere Hereroland (Damaraland) in Namibië, waar de soort werd ontdekt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Karibib, Namibië.