Alle soorten › Spechtachtigen › Honingspeurders › Grote honingspeurder

Grote honingspeurder | Indicator indicator

Greater Honeyguide | Indicador Grande

De grote honingspeurder is de vogel die mensen naar bijennesten leidt: met een opgewonden gekwetter vliegt hij voor de volger uit tot bij de korf en wacht daar tot die is opengebroken, waarna hij de was en de larven eet. Tegelijk is hij een broedparasiet die zijn eieren legt in de nesten van holenbroeders.

Grote honingspeurder (Indicator indicator)
Foto: Michael Heyns — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept vanaf een vaste roepplek hoog in een boom een eindeloos herhaald, luid viek-tor of wit-purr. Bij het leiden klinkt een droog, aanhoudend gekwetter, tsjitter-tsjitter, als het schudden van een half gevuld luciferdoosje, afgewisseld met korte vluchten naar de volgende boom.

Luister: ZangXC810967

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 20 cm, met een korte, dikke snavel en witte buitenste staartpennen die in vlucht opvallen. Het mannetje heeft een zwarte keel, een witte oorvlek, een roze snavel en grijsbruine bovendelen met een klein geel schoudervlekje; de onderdelen zijn vuilwit. Het vrouwtje is effen grijsbruin boven en licht onder, zonder zwart op de kop, met een donkere snavel. De jonge vogel is heel anders: olijfbruin boven met een helder goudgele keel en borst, en wordt daardoor vaak voor een andere soort gehouden.

Verwarrings­soorten

De schubkeelhoningspeurder (Indicator variegatus) is even groot maar olijfgroen boven, met een geschubde of gevlekte keel en borst. De kleine honingspeurder (Indicator minor) is kleiner, heeft een grijze kop met een zwarte baardstreep en een olijfgroene rug. Het mannetje met zwarte keel en roze snavel is onmiskenbaar; het effen vrouwtje wordt herkend aan de forse bouw, de witte staartzijden en de lichte, ongestreepte onderzijde.

Leefgebied

Open bosveld, doornveld, miombo en savanne met grote bomen, tot in plantages en boomrijke landbouwgrond; mijdt gesloten woud en echte woestijn. Eet was, bijenlarven en insecten. Broedparasiet van holenbroeders zoals bijeneters, baardvogels, bosliepen, hoppen en spreeuwen; het jong doodt de pleegbroers met een scherpe snavelhaak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied verspreid: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië, Eswatini en het noorden en oosten van Zuid-Afrika tot in de Oost-Kaap. Ontbreekt in de Namib, het grootste deel van de Karoo en de droge westkust. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, buiten het regenwoud.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het leidende gekwetter is het duidelijkst tussen juni en september, wanneer bijenvolken veel was en broed bevatten. Wie het geluid volgt, ziet de vogel van boom tot boom voor zich uit vliegen met gespreide, witgerande staart. Het roepende mannetje gebruikt jaren achtereen dezelfde roepboom, zodat hij daar betrouwbaar terug te vinden is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid. Het leidgedrag verdwijnt waar mensen honing uit kasten halen in plaats van uit wilde nesten, zoals in grote delen van Zuid-Afrika; in het noorden van Mozambique, Zambia en Tanzania leeft de samenwerking met honingzoekers nog volop.

Wetenschappelijke naam

Indicator indicator | (Sparrman, 1777)

Sparrman beschreef de soort in 1777 als Cuculus indicator; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Indicator werd in 1815 ingevoerd door Stephens. Indicator is Latijn voor 'aanwijzer, verklikker' — naar het beroemde gedrag van de grote honingspeurder, die mensen naar bijennesten leidt. indicator is Latijn voor 'aanwijzer, verklikker' — naar het leiden van mensen naar bijennesten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Grote Visrivier bij Somerset East, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.