Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Zwartkop

Zwartkop | Sylvia atricapilla

Eurasian Blackcap | Curruca capirotada

De zwartkop is in het gidsgebied vooral een wintergast: grote aantallen vogels uit Europa brengen de winter door in de olijfgaarden, tuinen en maquis van de Maghreb en de Levant en in de Nijldelta. Daarnaast broedt hij in de bossen van de Atlas en het Middellandse Zeegebied, en trekt hij door de oases en langs de woestijnranden.

Zwartkop (Sylvia atricapilla)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang begint met een snel, wat schetterend gebabbel en eindigt in een luide, heldere fluitstrofe; in de Maghreb te horen van februari tot juni, van wintergasten soms al zacht vanaf februari. De roep is een hard, herhaald tek, als twee steentjes tegen elkaar; in de winter het vaakst gehoorde geluid in tuinen en olijfgaarden.

Luister: ZangXC1174359

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm. Een grijsbruine grasmus met een strak begrensde pet en verder weinig tekening. Het mannetje heeft een glanzend zwarte pet tot net boven het oog, een grijze nek en grijsbruine bovendelen; de onderkant is lichtgrijs. Het vrouwtje en jonge vogels hebben een roodbruine pet en bruinere bovendelen met warmere flanken; jonge mannetjes krijgen in de herfst een gemengd bruin-zwarte pet. Geen wit in de staart, geen vleugelstreep, poten grijs.

Verwarrings­soorten

De rouwmees (Poecile lugubris) heeft ook een donkere pet, maar daarnaast een zwarte keel en witte wangen. Mannetjes van de kleine zwartkop (Curruca melanocephala) en van Ménétriés' zwartkop (Curruca mystacea) hebben een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt, een rode oogring en wit in de staart. De tuinfluiter (Sylvia borin) heeft geen pet. In Arabië en de Arava heeft de Arabische zwartkop (Curruca leucomelaena) eveneens een donkere kap, maar die is groter en loopt tot onder het oog, en de lange zwarte staart heeft witte zijranden.

Leefgebied

Broedt in vochtig loofbos en dicht struweel: eiken- en cederbos in de Atlas en de Rif, oeverbos, dichte maquis en grote tuinen. In de winter in olijfgaarden, citrusplantages, tuinen en parken met bessendragende struiken en bomen, en in maquis met mastiek en mirte; eet dan veel olijven, bessen en vijgen. Op de trek ook in oases en dadelpalmtuinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt jaarrond in het noorden van Marokko (Rif, Middel- en Hoge Atlas, Atlantische laagvlakte), het noorden van Algerije en Tunesië en de Jebel Akhdar in Noordoost-Libië; in de Levant in kleine aantallen in Libanon en Syrië. In Israël broedde hij vroeger, maar de laatste twintig jaar zijn er geen nesten meer gevonden. In de winter, van oktober tot maart, zeer talrijk in de hele Maghreb, Noord-Libië, de Nijldelta en de Nijlvallei, Israël, Jordanië, Libanon en Syrië, en in kleinere aantallen in Irak, Saoedi-Arabië, Koeweit en de Golfstaten. Doortrekker door de Sahara en de Sinaï; in Jemen en Oman schaars. Daarbuiten broedt hij van Macaronesië en Europa tot West-Siberië en Iran; veel vogels overwinteren ook in de Sahel en Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter in vrijwel elke olijfgaard of elk stadspark in Marokko, Tunesië of Israël: luister naar het harde tek en kijk in bessenstruiken en olijfbomen. In de broedtijd is hij goed te horen in de cederbossen bij Azrou en Ifrane in de Middel-Atlas.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; de soort neemt in Europa toe. In het gidsgebied worden op de trek en in de winter grote aantallen illegaal gevangen met netten en lijmstokken, onder meer langs de Egyptische kust en in Libanon en Syrië, waar hij als lekkernij geldt. In Israël staat hij als onvoldoende bekend op de nationale Rode Lijst.

Wetenschappelijke naam

Sylvia atricapilla | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla Atricapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sylvia werd in 1769 ingevoerd door Scopoli. Sylvia is nieuwlatijn silvia, een bosnimf, bij silva 'bos'; de naam ging over op kleine zangvogels van struweel en kreupelhout. atricapilla is Latijn, van ater 'zwart' en capillus 'hoofdhaar', naar de zwarte kruin van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.