Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Zwarte wouw
Zwarte wouw | Milvus migrans
Black Kite | Milano negro
De zwarte wouw is de algemeenste grote roofvogel van het gebied: een donkerbruine aaseter met een ondiep gevorkte staart die in Noord-Afrika broedt, in Egypte en Jemen het hele jaar boven steden en havens hangt, en in het voorjaar in tienduizenden langs Gibraltar, de Sinaï en Eilat trekt. In deze gids valt ook de geelsnavelwouw (M. m. aegyptius) onder deze soort.
Geluid
Luidruchtig bij nesten en voedselplaatsen: een trillend, hinnikend pieeeh-i-i-i-i, beginnend met een hoge fluittoon en overgaand in een snel geratel. De geelsnavelwouw roept vaak boven steden en havens.
Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
48–58 cm, spanwijdte 130–155 cm. Donker chocoladebruin, van onderen met fijne donkere streping, de kop iets bleker grijsbruin, het oog donker. In vlucht lange, vrij smalle vleugels die licht geknikt en iets hangend worden gehouden, met hooguit een vaag lichter veld aan de basis van de handpennen, en een vrij lange, ondiep gevorkte staart die bij spreiden recht afgesneden lijkt. Van boven een lichte band over de vleugeldekveren. De Europese vogels hebben een zwarte snavel met gele washuid; de geelsnavelwouw van Egypte, Zuidwest-Arabië en Jemen heeft een geheel gele snavel, een warmer roodbruine kleur en een iets diepere staartvork. De jonge vogel is lichter, met lichte vlekken op borst en dekveren en een donker masker achter het oog.
Verwarringssoorten
De rode wouw (Milvus milvus) is groter, roestbruiner, met een diep gevorkte roestrode staart, een lichte kop en grote witte handvensters. De bruine kiekendief (Circus aeruginosus) vliegt laag met de vleugels in een V en heeft een ronde, niet gevorkte staart. Donkere buizerds (Buteo buteo) en jonge schreeuwarenden (Clanga pomarina) hebben brede vleugels en een korte, ronde staart; let bij elke donkere roofvogel op de wouwenstaart die voortdurend draait.
Leefgebied
Zeer gevarieerd: rivierdalen, meren en moerassen met bomen in de buurt, akkerland, stortplaatsen, vissershavens en steden. De geelsnavelwouw leeft in Egypte en Jemen dicht bij mensen, boven markten, slachthuizen en vuilnisbelten, en langs de Nijl en de Rode Zeekust. Nestelt in bomen, in Arabië ook in dadelpalmen en op rotsen. Trekkers rusten in groepen langs de Jordaanvallei en bij visvijvers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Marokko een talrijke zomergast en broedvogel in het noorden en op de Atlantische vlakten, schaarser in het Midden- en Hoge Atlas; in Noord-Algerije en Tunesië verspreid, in Libië schaars. In de Levant broeden enkele paren in Noord-Israël, Syrië en Irak. In Egypte broedt de geelsnavelwouw talrijk en jaarrond in de Nijldelta en de Nijlvallei, met grote aantallen in Caïro, en langs de Rode Zee; ook jaarrond in het Tihama en Asirgebergte van Zuidwest-Saoedi-Arabië en in Jemen, vooral in de kustvlakten en havensteden. Bij Gibraltar trekken jaarlijks tienduizenden Europese vogels over; in het voorjaar trekken bij Eilat tienduizenden door, vooral in maart en april. In Israël overwinteren duizenden, vooral in de Hulavallei en bij stortplaatsen in het noorden. Elders in Arabië en de Golfstaten een schaarse doortrekker en wintergast. Daarbuiten van Europa en Afrika tot Australië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Caïro en Luxor hoef je niet te zoeken: kijk omhoog boven de daken en de Nijl. Bij Gibraltar en in de Rif in maart en augustus zie je honderden tegelijk oversteken; in de Hulavallei zitten 's winters soms duizenden bij elkaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en vermoedelijk de talrijkste grote roofvogel ter wereld. In Noord-Afrika plaatselijk achteruit door vergif, afschot en elektrocutie, maar de geelsnavelwouw profiteert van afval in de steden. Trekkers worden langs de route geschoten en komen om bij windturbines en stroomleidingen.
Wetenschappelijke naam
Milvus migrans | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Falco migrans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Milvus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Milvus is het Latijnse woord voor de rode wouw. migrans is Latijn voor 'trekkend', van migrare 'wegtrekken', naar de trek van de noordelijke populaties. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.


