Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte roodstaart

Zwarte roodstaart | Phoenicurus ochruros

Black Redstart | Colirrojo tizón

De zwarte roodstaart is in de winter een van de meest verspreide zangvogels van het gidsgebied: van de Marokkaanse kust tot de Emiraten zit hij op muren, rotsen en daken. Als broedvogel is hij gebonden aan de hogere bergen. In het gebied komen verschillende vormen samen, waaronder roodbuikige oostelijke vogels die er heel anders uitzien dan de Europese.

Zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros)
Foto: Félix Hernández Pérez — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een kort tsip en bij onraad een tikkend tek-tek. De zang, vaak al voor zonsopgang van een rots of dak, is een korte, schelle strofe met een kenmerkend krakend, knisperend middenstuk, als het verfrommelen van papier.

Luister: ZangXC1134411

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14,5 cm. Slanke, donkere roodstaart met een roestrode stuit en staart (donker middenpaar) die voortdurend trilt. Het mannetje van de westelijke vormen (gibraltariensis, en de nog donkerdere aterrimus in Marokko) is leigrijs met een zwart gezicht en zwarte borst en een witte vlek in de vleugel. De vorm semirufus van de Levant heeft een zwarte keel en borst en een roestrode buik tot op de borst; de oostelijke wintergasten (ochruros en phoenicuroides) zijn eveneens roodbuikig, met grijzere bovendelen. Vrouwtjes en jonge vogels zijn egaal donker grijsbruin, ook onder, met alleen de rode staart als kleuraccent.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje van de gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is warmer bruin met een lichte, oranjebeige getinte onderzijde en lichte keel; het mannetje heeft een grijze rug, een witte voorhoofdsband en een oranje borst. Roodbuikige mannetjes kunnen lijken op Eversmanns roodstaart (Phoenicurus erythronotus), die een rode mantel en witte vleugelband heeft, of op de diadeemroodstaart (Phoenicurus moussieri), die een witte band over voorhoofd en halszijde heeft. De roodstaarttapuit (Oenanthe chrysopygia) is lichter grijsbruin en heeft een zwarte eindband in de staart.

Leefgebied

Broedt in rotsig terrein in de bergen, van kale hellingen en puinvelden tot boven de boomgrens, en plaatselijk in dorpen. In de winter ook in laagland: rotsige wadi's, oases, ruïnes, steengroeven, dorpen en steden, parken en tuinen, en kustrotsen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko (vorm aterrimus) in de Hoge en Midden-Atlas en het Rifgebergte, en zeer plaatselijk in de bergen van Noord-Algerije. In de Levant broedt semirufus in de bergen van Libanon en Syrië, op de Hermon en plaatselijk in Noord-Israël; ook in de bergen van Koerdistan in Noord-Irak. In de winter is de soort wijd verspreid en vaak talrijk in de hele Maghreb, Noord-Libië, Egypte (vooral Sinaï en Nijlvallei), Israël, Jordanië en Irak, en op het Arabisch Schiereiland tot in de Emiraten en Noord-Oman; schaarser in het zuiden van Saoedi-Arabië en in Jemen. Daarbuiten broedt hij van West- en Midden-Europa tot de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter een vaste gast in het Hajargebergte, op rotsige terreinen in de Negev en de Arava en in vrijwel elk Marokkaans dorp. Voor de roodbuikige semirufus zoek je in het voorjaar op de Hermon of in de bergen van Libanon.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied een algemene wintergast; de broedvogels van de Atlas en de Levant zijn plaatselijk algemeen in geschikt berggebied.

Wetenschappelijke naam

Phoenicurus ochruros | (Gmelin, 1774)

Gmelin beschreef de soort in 1774 als Motacilla Ochruros; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoenicurus werd in 1817 ingevoerd door Forster. Phoenicurus is Grieks, van phoinix 'rood' en -ouros '-staartig'. ochruros is Grieks, van okhros 'lichtgeel' en -ouros '-staartig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bergen van Gilan in Iran.