Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Woudaapje

Woudaapje | Botaurus minutus

Little Bittern | Avetorillo común

De kleinste reiger van het gebied, een schuwe bewoner van riet en oevervegetatie die vooral als zomergast en doortrekker voorkomt. Hij broedt van Marokko tot Irak en langs de Nijl, en trekt in voor- en najaar door het hele gebied, ook door woestijnen en oases.

Woudaapje (Botaurus minutus)
Foto: Иван Везенковић — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept in de broedtijd, vaak 's nachts, een laag, kort blaffend woh, ongeveer elke twee seconden herhaald en lang volgehouden. Opgejaagd een kort, schor kerr of kek.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1181805

Opname: Julien Bottinelli — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Klein en compact, nauwelijks groter dan een waterhoen. Het mannetje heeft een zwarte kruin en rug, een grote roomkleurige tot okerbeige vleugelvlek en lichte, fijn gestreepte onderdelen; in vlucht steekt de lichte vleugelvlek scherp af tegen de zwarte slagpennen. Het vrouwtje is bruiner, met een bruin gestreepte rug en een minder contrastrijke vleugelvlek. Jonge vogels zijn sterk gestreept bruin. Klimt behendig door het riet en neemt net als de roerdomp een paalhouding aan.

Verwarrings­soorten

Chinese woudaap (Botaurus sinensis) van de Egyptische Rode Zeemangroven lijkt vooral op het vrouwtje, maar het mannetje heeft een zandbruine in plaats van zwarte rug, en in vlucht contrasteren de zwarte handpennen en staart sterker met de bleke dekveren. Ralreiger (Ardeola ralloides) is groter, oker met witte vleugels. Jonge kwak (Nycticorax nycticorax) is veel groter en grijsbruin met witte druppelvlekken. Mangrovereiger (Butorides striata) is grijzer en mist de lichte vleugelvlek.

Leefgebied

Rietvelden, lisdodde- en papyrusmoerassen, ruig begroeide oevers van rivieren, irrigatiekanalen, visvijvers en waterzuiveringsvijvers; in Arabië ook mangroven en riet langs afvalwatermeren. Op trek in oases, tuinen en elk struikje bij water, soms ver in de woestijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Noord-Marokko en de Atlantische vlakte, Noord-Algerije, Tunesië en plaatselijk in Libië; in Egypte langs de Nijl, in de delta en de Fayoum, waar een deel het hele jaar aanwezig is. In het Midden-Oosten broedt hij in Israël (onder meer Hula, Beit She'an en de kustvlakte), Libanon, Syrië, Jordanië en Irak (vooral de zuidelijke moerassen), en plaatselijk in Saoedi-Arabië, onder meer in de mangroven bij Thuwal aan de Rode Zee. In april–mei en augustus–oktober trekt hij breed door het hele gebied, ook over de Sahara en het Arabisch Schiereiland, met regelmatige waarnemingen in Koeweit, de Golfstaten, Oman en Jemen. Daarbuiten broedt hij van Europa tot West-Siberië en India en in Afrika ten zuiden van de Sahara; Palearctische vogels overwinteren in tropisch Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in mei en juni in de schemering langs rietranden van visvijvers in Israël of in de Nijldelta naar mannetjes die laag over het riet van de ene rietkraag naar de andere fladderen. Op trek duiken ze onverwacht op in oases en parkjes; in Eilat en de Arava zitten ze in het voorjaar geregeld in struiken bij vijvers en sloten.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa sterk wisselend in aantal en plaatselijk afgenomen door verlies van rietland en droogte in de Afrikaanse overwinteringsgebieden. In het gebied bedreigd door drooglegging en het maaien of afbranden van riet; afvalwatermeren en visvijvers bieden nieuw leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Botaurus minutus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Ardea minuta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Botaurus is middeleeuws Latijn voor 'roerdomp'; het woord verbindt het Latijnse bos 'rund' met taurus 'stier', naar de loeiende roep (vergelijk butire 'boemen'). minutus is Latijn voor 'klein': dit is de kleinste reiger van Europa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.