Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Woestijnvink

Woestijnvink | Bucanetes githagineus

Trumpeter Finch | Camachuelo trompetero

De woestijnvink is de karakteristieke vinkachtige van de steenwoestijnen, van de Atlantische kust van de Sahara tot Oman. Het kleine, bolle vogeltje met de koraalrode snavel valt vooral op door zijn roep: een langgerekt, nasaal getoeter als van een kindertrompetje.

Woestijnvink (Bucanetes githagineus)
Foto: Len Worthington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het beste kenmerk: een lang aangehouden, nasaal en zoemend tsjèèèèè, als een speelgoedtrompetje, soms afgewisseld met korte tsjik-tonen en zachte wiep-geluiden. In vlucht een kort, zacht tsjoep.

Luister: VluchtroepXC1098137

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–14 cm. Klein, compact en grootkoppig, met een korte staart en een korte, zeer dikke snavel die bij het mannetje in de broedtijd koraal- tot oranjerood is en daarbuiten geelachtig hoornkleurig. Het mannetje is in de broedtijd grijs op kop en nek, met een roze waas op gezicht, borst, stuit en vleugelranden, en een zandkleurige mantel; de vleugels en staart zijn grijsbruin met lichte zomen. Het vrouwtje en de wintervogels zijn egaal zandbeige met slechts een zweem roze en een bleke snavel. Zit vaak stil tussen stenen en is dan door zijn schutkleur moeilijk te zien.

Verwarrings­soorten

De sinaïroodmus (Carpodacus synoicus) is groter en langstaartiger, met een hoornkleurige snavel en bij het mannetje een helder roze gezicht met zilverwitte stippen. De vale woestijnvink (Rhodospiza obsoleta) heeft een zwarte snavel en een zwart-wit-roze vleugel. De rode woestijnvink (Rhodopechys sanguineus) is veel forser en heeft een helder rozerood vleugelpaneel. In Koeweit en Irak kan de Mongoolse woestijnvink (Bucanetes mongolicus) opduiken: die heeft een witte vleugelvlek, een gestreepte rug en een bleke snavel.

Leefgebied

Steenwoestijn, kale rotshellingen, kloven en wadi's met verspreide struikjes, en droge randen van oases en akkers; van zeeniveau tot hoog in de Atlas en de Arabische bergen. Drinkt dagelijks en is dan te vinden bij bronnen, poelen, waterbakken en lekkende irrigatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Door een groot deel van het gebied. In de Maghreb de woestijnranden en het binnenland van Marokko ten zuiden van de Atlas, de Westelijke Sahara, de Sahara van Algerije (met de Hoggar), het zuiden van Tunesië en Libië; in Egypte de Oostelijke Woestijn, de randen van de Nijlvallei en de Sinaï. In het Midden-Oosten het zuiden van Israël en Jordanië, het zuiden van Syrië en het westen van Irak, het grootste deel van Saoedi-Arabië behalve het zand van de Rub al Khali, Jemen, Oman (Hadjar en Dhofar) en de Hadjar van de Verenigde Arabische Emiraten; in Koeweit, Qatar en Bahrein schaarse wintergast. Daarbuiten de Canarische Eilanden, het zuidoosten van Spanje, de Sahel, Soedan en oostwaarts via Iran tot Afghanistan en Pakistan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Posteer in de vroege ochtend bij een bron of drinkbak in een woestijnwadi: groepjes woestijnvinken komen dan, toeterend, in korte vluchten aanvliegen om te drinken. In Marokko zijn ze in de valleien rond Ouarzazate, Boumalne en Merzouga goed te vinden, in Israël rond Eilat en in de Negev.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en wijdverspreid; de aantallen schommelen sterk met regenval en zaadaanbod. In de Maghreb wordt de soort plaatselijk als kooivogel gevangen.

Wetenschappelijke naam

Bucanetes githagineus | (Lichtenstein, 1823)

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Fringilla githaginea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bucanetes werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Bucanetes is Grieks, van bukanētēs 'trompetter', bij bukanē 'hoorn', naar de nasale roep. githagineus is Latijn, gevormd bij Githago, de bolderik, van gith 'koriander' en -ago 'lijkend op'; Temminck meende dat de vogelnaam van die plantnaam kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Deram in Boven-Egypte.