Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Witborstwaterhoen

Witborstwaterhoen | Amaurornis phoenicurus

White-Breasted Waterhen | Gallineta pechiblanca

Een opvallend zwart-witte ral uit Zuid-Azië, die zich minder verstopt dan de meeste verwanten en vaak in de open lucht langs slootkanten loopt. In het oosten van Arabië een schaarse maar regelmatige gast, waarvan Oman en de Emiraten samen inmiddels vele tientallen waarnemingen tellen.

Witborstwaterhoen (Amaurornis phoenicurus)
Foto: Charles Lam — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Erg luidruchtig in het broedgebied: een lange, grommende en kwakende reeks, kroek-kroek-kwak-kwak, die minutenlang kan aanhouden, vaak in de schemering en 's nachts. Ook een herhaald, metalig kwak. In Arabië meestal stil.

Luister: ZangXC1152802

Opname: Albert Noorlander — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Middelgroot en hoogpotig, met een vrij lange hals en een korte, vaak opgewipte staart. De bovendelen zijn donker leigrijs met een olijfgroene zweem; gezicht, voorhoofd, keel en borst zijn helder wit en scherp van het donkere bovenlichaam afgezet. De buik gaat naar achteren over in roestbruin, en de onderstaart is diep roestrood. De snavel is geelgroen met een rode basis op de bovensnavel, de poten zijn geel. Jonge vogels zijn doffer, met een grijzig gezicht en minder wit.

Verwarrings­soorten

Met het witte gezicht en de roestrode onderstaart nauwelijks te verwarren. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is donker van onderen, met een witte flankstreep, witte onderstaartzijden en een rode voorhoofdsplaat. Een jonge waterhaan (Gallicrex cinerea) is groter, warm geelbruin en overal fijn gebandeerd. Een flits van wit tussen het riet kan aan een ralreiger (Ardeola ralloides) of Indische ralreiger (Ardeola grayii) doen denken, maar die hebben een dolkvormige snavel en witte vleugels.

Leefgebied

Oevers van vijvers, sloten en plassen met dichte begroeiing, rietkragen, moerasjes, irrigatiekanalen en ondergelopen akkers; ook bij waterzuiveringen, in parken en tuinen met water. Loopt graag langs de rand van de dekking en klimt in struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Oman (meer dan 50 waarnemingen rond 2010, sindsdien vaker) een schaarse doortrekker en wintergast, met waarnemingen langs de Batinahkust, in het binnenland en in Dhofar; in de Verenigde Arabische Emiraten (meer dan 25 waarnemingen rond 2010) vergelijkbaar, onder meer in waterzuiveringen en parken. Saoedi-Arabië: eerste waarneming in oktober 2009 bij Jubail in de Oostprovincie. Qatar en Jemen: enkele waarnemingen. Koeweit: in december 2019 een vogel bij Jahra, de eerste voor het West-Palearctisch gebied. Daarbuiten jaarrond van Pakistan en India tot Zuid-China, Indonesië en de Filipijnen.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de winter de randen van rietkragen en het open slik in de waterzuiveringen en plassen van de Batinahkust en de Emiraten af. De vogel komt in de vroege ochtend en de late middag naar buiten en loopt dan met wippende staart over open terrein; het witte gezicht valt van ver op.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in Zuid-Azië algemeen, ook in door mensen gemaakte wetlands. De toename van waarnemingen in Arabië valt samen met de groei van irrigatie en waterzuiveringen, die de soort geschikte rustplaatsen bieden; een vaste broedpopulatie in het gebied is (nog) niet aangetoond.

Wetenschappelijke naam

Amaurornis phoenicurus | (Pennant, 1769)

Pennant beschreef de soort in 1769 als Gallinula phoenicurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amaurornis werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Amaurornis is Grieks, van amauros 'donker, dof' en ornis 'vogel'. phoenicurus is Grieks voor 'roodstaartig', van phoinix 'karmozijnrood' en ouros 'staart', naar de roestrode onderstaart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sri Lanka.