Alle soorten › Zangvogels › Wielewalen › Wielewaal

Wielewaal | Oriolus oriolus

Eurasian Golden Oriole | Oropéndola europea

De wielewaal is een goudgele zangvogel van hoge loofbomen, die in het gidsgebied vooral als doortrekker op weg van en naar Afrika ten zuiden van de Sahara wordt gezien. In de Maghreb en de Levant broedt hij in kleine aantallen; elders duikt hij in het voorjaar op in oases, tuinen en boomgaarden.

Wielewaal (Oriolus oriolus)
Foto: Philippe Garcelon — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een luid, vloeiend fluitsignaal, dudeljo of wielewaal, ook door doortrekkers in het voorjaar te horen. De roep is een schor, katachtig krijsend krèèèh, vaak de eerste aanwijzing.

Luister: ZangXC1135170

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

22–25 cm. Het mannetje is helder goudgeel met zwarte vleugels met een gele vlek op de handpenbasis, een zwarte staart met gele hoeken, een zwarte teugel en een donkerroze snavel. Het vrouwtje is groengeel boven, vuilwit en fijn gestreept onder, met groenige vleugels en doffe gele staarthoeken; oudere vrouwtjes kunnen bijna zo geel zijn als een mannetje. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn zwaarder gestreept en hebben een donkere snavel. De vlucht is snel en licht golvend, als van een grote lijster.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en jonge vogels kunnen op Levaillants specht (Picus vaillantii) lijken, maar die heeft een rode kruin, een lichte stuit en een sterk golvende vlucht. De Indische wielewaal (Oriolus kundoo), van Centraal-Azië tot India, heeft bij het mannetje een zwarte teugelstreep die tot achter het oog doorloopt en meer geel in de staart; hij is in het gebied een mogelijke dwaalgast. Ontsnapte exotische wielewalen en wevers daargelaten is er geen echte verwarringssoort.

Leefgebied

In de broedtijd hoge, oude loofbomen: ooibos met populieren, wilgen en essen langs rivieren, eiken- en cederbos in de Atlas, grote boomgaarden, olijfgaarden en parken. Op de trek in elk gebied met bomen: oases, dadelpalmtuinen, tuinen, parken en boomgaarden, ook midden in de woestijn. Eet insecten en rupsen, en in de nazomer veel vruchten en bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Broedt in Marokko in de Rif, de Middel-Atlas en de valleien van de Atlantische laagvlakte, in het noorden van Algerije en Tunesië, in Libanon, Syrië, het noorden van Israël (schaars) en Noord-Irak. Op de voorjaars- en najaarstrek talrijk door het hele gebied, van de oases van de Sahara en Egypte tot Jordanië, Israël, Saoedi-Arabië, Jemen, Oman en de Golfstaten; in het voorjaar het opvallendst langs de Jordaanvallei en de Rode Zee. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. Daarbuiten broedt hij door vrijwel heel Europa en West-Azië tot West-Siberië en Iran.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op de trek in april en begin mei in een oase of een tuin met hoge bomen: in Eilat, de Sinaï, de oases van de Marokkaanse woestijnrand of de parken van de Golfstaten. Een groepje doortrekkers zit vaak verscholen in een vijgen- of moerbeiboom; let op het katachtige gekrijs en een gele flits in de kruin.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Aan de rand van het areaal achteruitgegaan door het kappen van oude ooibossen; op de trek komen ook vangst en jacht voor, met name in delen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Wetenschappelijke naam

Oriolus oriolus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Coracias oriolus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oriolus werd in 1766 ingevoerd door Linnaeus. Oriolus gaat terug op het Latijnse aureolus 'goudkleurig', naar het gele verenkleed van het mannetje. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.