Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Westelijke blonde tapuit
Westelijke blonde tapuit | Oenanthe hispanica
Western Black-Eared Wheatear | Collalba rubia occidental
De westelijke blonde tapuit is in de Maghreb een algemene zomervogel van droog, stenig en struikrijk terrein, van de kust tot de hoogvlaktes van de Atlas. Hij jaagt vanaf een steen of struik op insecten en keert na elke vangst naar dezelfde post terug. Sinds hij los van de oostelijke blonde tapuit als aparte soort wordt behandeld, is hij in het gidsgebied de blonde tapuit van het westen; van Egypte oostwaarts wordt hij door de oostelijke soort vervangen.
Geluid
De roep is een hard, droog tsjak en een zacht, fluitend wiet. De zang is een korte, krassende en ratelende strofe, vaak vanaf een hoge post of in een korte zangvlucht, met imitaties van andere vogels.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13,5–15,5 cm. Slanker en langstaartiger dan de tapuit. Het mannetje in broedkleed heeft een roomkleurige tot warm okergele kruin, nek en mantel, een zwart masker van de snavelbasis over oog en oorstreek, zwarte vleugels en een witte onderzijde met een beige waas over de borst. Er is een vorm met een witte keel en een met een zwarte keel; beide komen door elkaar voor. De staart is grotendeels wit met een smalle zwarte eindband en een dun zwart middenstreepje, met de zwarte zijband vaak breder aan de buitenkant. Het vrouwtje is warm zandbruin met donkere vleugels en een vaag donker masker, met dezelfde staart. In het najaar dekken brede lichte zomen het zwart af.
Verwarringssoorten
De oostelijke blonde tapuit (Oenanthe melanoleuca), die van de Levant tot Iran broedt en door Egypte en Arabië trekt, heeft bij het mannetje een koeler, witter rug- en kopkleed, een zwart masker dat over de snavelbasis doorloopt en bij zwartkelige vogels een bredere zwarte keel die tot de schouder doorloopt; vrouwtjes en najaarsvogels zijn buiten het broedgebied meestal niet op soort te brengen. De bonte tapuit (Oenanthe pleschanka) heeft als mannetje een zwarte rug die met de zwarte keel is verbonden. De tapuit (Oenanthe oenanthe) is groter, grijzer van rug en heeft een bredere zwarte eindband. De woestijntapuit (Oenanthe deserti) heeft een vrijwel geheel zwarte staart.
Leefgebied
Droog, open en stenig terrein met verspreide struiken en bomen: garrigue, dwergpalmstruweel, open eiken- en jeneverbesbos, steenrijke hellingen en terrasbouw, alfa-steppe en de randen van olijfgaarden en akkers, van zeeniveau tot zo'n 2.000 m in de Atlas. Nestelt op de grond onder een steen of in een muurspleet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in heel Noord-Marokko, van de Atlantische kust en de Rif door de Midden- en Hoge Atlas en de Anti-Atlas tot de hoogvlaktes van het oosten; verder in Noord-Algerije, Tunesië en Noordwest-Libië. Op doortrek, in maart – april en augustus – oktober, verschijnt hij in de oases en wadi's van de Sahara. Ten oosten van Libië is hij grotendeels vervangen door de oostelijke blonde tapuit; zekere waarnemingen van de westelijke soort in Egypte en het Midden-Oosten zijn zeldzaam. Daarbuiten broedt de soort op het Iberisch Schiereiland, in Zuid-Frankrijk en Italië, en overwintert ze in de Sahel van Senegal tot Tsjaad.
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Marokko is hij in april en mei algemeen langs de wegen in de Midden-Atlas en op de stenige hellingen rond Ouarzazate en de Dadesvallei; mannetjes zingen vanaf rotsblokken en struiken. Fotografeer zwartkelige mannetjes van opzij om de keelvlek met die van de oostelijke soort te vergelijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In de Maghreb wijd verbreid en plaatselijk algemeen; in Europa is de stand achteruitgegaan door het verdwijnen van extensieve landbouw en het dichtgroeien van open terrein, en in Noord-Afrika speelt overbegrazing plaatselijk een rol.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe hispanica | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla hispanica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. hispanica is Latijn voor 'Spaans', naar het Iberisch Schiereiland. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Gibraltar.


