Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Izabeltapuit
Izabeltapuit | Oenanthe isabellina
Isabelline Wheatear | Collalba isabel
De izabeltapuit is een grote, bleke, hoogpotige tapuit van open steppen en halfwoestijnen. Hij broedt in het noorden van het Midden-Oosten en is in de winter een van de algemeenste tapuiten van Arabië.
Geluid
De zang is luid en gevarieerd, veel rijker dan die van de tapuit: krakende en klokkende noten die overgaan in heldere fluittonen en veel nabootsingen, vaak in een hoge zangvlucht. De roep is een luid gefloten wiet en een hard tsjak.
Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
15,5–16,5 cm. Groot, met een grote kop, lange zwarte poten en een korte staart; staat heel rechtop. Egaal zandkleurig zonder contrast tussen rug, borst en vleugel; de vleugel is even bleek als de mantel, alleen het alula-veertje steekt als een klein donker vlekje af. Gezicht vlak, met donkere teugels en een witte wenkbrauwstreep die vóór het oog het duidelijkst is. De snavel is lang en zwart. Staart met een witte basis en een brede zwarte eindband over meer dan de helft van de staart; het witte stuitvlak oogt daardoor klein. Ondervleugel wit. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes en najaarsvogels van de tapuit (Oenanthe oenanthe) zijn slanker en kleiner, met donkerdere vleugels die afsteken tegen de rug, een duidelijker wenkbrauw achter het oog en een smallere eindband. De woestijntapuit (Oenanthe deserti) heeft een vrijwel geheel zwarte staart. Bruinborsttapuit (Oenanthe bottae) in het hoogland van Asir en Jemen is warmer, met een oranjebeige borst en een donkerder rug.
Leefgebied
Vlakke of zacht glooiende steppe, halfwoestijn en hoogvlakten met korte vegetatie, vaak bij kolonies van springmuizen of woestijnratten, in wier holen hij nestelt. In de winter in open steenwoestijn, droge akkers, braakland en kustvlakten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedvogel in Syrië, Libanon (Bekaa), Jordanië, het noorden van Israël en Irak, plaatselijk ook in het noorden van Saoedi-Arabië en Koeweit. Algemene wintergast in Saoedi-Arabië, Jemen, Oman, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Bahrein, Koeweit, het zuiden van Irak en Egypte; doortrekker door de hele Levant en de Sinaï. Ten westen van Egypte schaars tot zeldzaam, in Marokko dwaalgast. Daarbuiten van Turkije en de Oekraïne tot Mongolië en China; overwintert verder in de Sahel, Oost-Afrika en Noordwest-India.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de winter op elke stenige vlakte of droge akker in de Verenigde Arabische Emiraten of Oman; in maart en april zingend boven de steppe van Jordanië of de Golan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Plaatselijk achteruit door het ploegen van steppe en de bestrijding van knaagdieren, waardoor nestholen verdwijnen.
Wetenschappelijke naam
Oenanthe isabellina | (Temminck, 1829)
Temminck beschreef de soort in 1829 als Saxicola isabellina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe gebruikte Aristoteles voor een vogel die niet meer thuis te brengen is; het woord komt van het Griekse oinos, oinoē 'wijn, wijnstok' en anthos 'bloem, bloei'. isabellina is Neolatijn voor 'isabelkleurig', een grijzig geelbruin dat naar Isabella van Castilië zou zijn genoemd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië.


