Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Waterhaan
Waterhaan | Gallicrex cinerea
Watercock | Gallineta crestada
Een grote, schuwe ral van rijstvelden en moerassen in Zuid- en Oost-Azië, die het gidsgebied alleen als dwaalgast bereikt. De handvol waarnemingen komt vrijwel allemaal uit Oman en de Verenigde Arabische Emiraten, aan de westrand van het trekgebied van de soort.
Geluid
In het broedgebied roept het mannetje een reeks diepe, holle, pompende tonen, kok-kok-kok gevolgd door een hol oemp-oemp-oemp, vooral in de schemering. Dwaalgasten buiten het broedgebied zijn vrijwel altijd stil.
Opname: Chi-Hsuan Shao — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Fors en hoogpotig, met een lange hals en een vrij korte staart; het mannetje is duidelijk groter dan het vrouwtje. Het mannetje in broedkleed is leigrijs tot zwart met lichte zomen op de rug en heeft een felrode, opstaande voorhoofdsplaat die als een hoorntje boven de kop uitsteekt, met rode poten. Zo ziet men hem in het gidsgebied echter vrijwel nooit: dwaalgasten zijn bijna altijd vrouwtjes, onvolwassen vogels of mannetjes in rustkleed. Die zijn warm geelbruin met donkere, licht gezoomde veren op de bovendelen, fijn gebandeerde, okergele onderdelen, een gelige snavel zonder plaat en groengrijze poten. In vlucht valt de vrij lange hals op en de bleek okerkleurige voorrand van de vleugel.
Verwarringssoorten
Een vrouwtje of jonge vogel lijkt op een groot, warm getint waterhoen (Gallinula chloropus) of jonge purperkoet (Porphyrio porphyrio), maar heeft over de hele onderzijde fijne golfbandering en een geschubde rug zonder witte flankstreep. Het porseleinhoen (Porzana porzana) en de kwartelkoning (Crex crex) zijn veel kleiner en korter van hals. Het witborstwaterhoen (Amaurornis phoenicurus) heeft een wit gezicht en een witte borst en een roestrode onderstaart.
Leefgebied
Rijstvelden, ondergelopen grasland, rietmoerassen en oevers met dichte vegetatie. In Arabië opgedoken bij waterzuiveringen, irrigatiegebieden en vijvers met rietkragen, soms ook op onverwachte plekken waar uitgeputte trekvogels neerstrijken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gidsgebied alleen een dwaalgast. Oman telde rond 2014 vijf aanvaarde waarnemingen; in november 2014 volgde de eerste voor de Verenigde Arabische Emiraten, een vogel in Dubai die bij Nad Al Shiba werd gevonden en bij de Al Warsan-meren werd losgelaten. Elders in het gebied niet met zekerheid vastgesteld. De soort broedt van Pakistan en India tot Zuid-China, Korea en Japan, en zuidelijk tot de Filipijnen en Indonesië; noordelijke vogels trekken naar Zuidoost-Azië. Ook in Djibouti vastgesteld, als eerste geval voor Afrika.
Hoe en wanneer kijken
Een waarneming is een kwestie van geluk. De beste kans biedt het najaar en de vroege winter in de waterzuiveringen, irrigatieplassen en rietvelden van Oman en de Emiraten, waar ook andere Aziatische dwaalgasten opduiken. Zoek de randen van rietkragen af in de vroege ochtend; een vogel die uit de dekking komt, loopt vaak traag met wippende staart over open modder.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in grote delen van Azië vrij algemeen, al wordt hij plaatselijk bejaagd en gaat hij achteruit waar rijstbouw intensiveert. In het gidsgebied een zeer zeldzame dwaalgast zonder vaste voet; elke waarneming is een melding voor de nationale zeldzaamhedencommissie waard.
Wetenschappelijke naam
Gallicrex cinerea | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fulica cinerea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gallicrex werd in 1852 ingevoerd door Blyth. Gallicrex is Latijn, van gallus 'haan' en crex 'ral'. cinerea is Latijn voor 'asgrauw', van cinis 'as'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit China.

