Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Vale rotszwaluw
Vale rotszwaluw | Ptyonoprogne obsoleta
Pale Crag Martin | Avión isabelino
De vale rotszwaluw is de zwaluw van de woestijn: een kleine, zandkleurige rotszwaluw van kloven, wadi’s, oude monumenten en steeds vaker ook hoge gebouwen. Hij is in het gidsgebied de meest verbreide standvogel onder de zwaluwen, van de Sahara tot Socotra, en heeft zijn areaal in Arabië met de stedenbouw sterk uitgebreid.
Geluid
Een zacht, droog trrt of tsjrr en een kort, hoog getjirp, bij het nest een zacht, aanhoudend gekwetter.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–13 cm. Klein en licht gebouwd, met een korte, recht afgesneden staart. Bovendelen zandbruin tot vaalgrijs; keel en bovenborst bleek grijswit, hooguit met een spoortje spikkeling, geleidelijk overgaand in een vuilwitte tot bleek beige buik. De ondervleugeldekveren en onderstaartdekveren zijn licht grijsbruin, zodat de vogel van onderen egaal en bleek oogt. In de gespreide staart een rij kleine witte vlekjes. Er zijn duidelijke regionale verschillen: presaharica in Marokko en Algerije is zandkleurig, spatzi in de centrale Sahara donkerder en warmer, perpallida in Noordoost-Arabië en Zuid-Irak bijna wit onder en zeer bleek boven, en arabica in Zuidwest-Arabië en op Socotra het donkerst. De vlucht is licht en wendbaar. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
Rotszwaluw (Ptyonoprogne rupestris) is groter en zwaarder, met een gespikkelde keel en donkere ondervleugeldekveren en onderstaartdekveren die sterk afsteken tegen de buik; in de winter jagen ze vaak samen. Oeverzwaluw (Riparia riparia) en bleke oeverzwaluw (Riparia diluta) hebben een borstband en een staart zonder vlekken. Vale oeverzwaluw (Riparia paludicola) is egaal bruin op keel en borst en jaagt laag boven water. Donkere vogels van de ondersoort arabica kunnen aan de Kaapse rotszwaluw (Ptyonoprogne fuligula) van zuidelijk Afrika doen denken, die in het gidsgebied niet zeker is vastgesteld.
Leefgebied
Kloven, wadi’s, rotswanden en steile hellingen in woestijn en halfwoestijn, van zeeniveau tot hoog in het gebergte, maar ook oude monumenten, dorpen, steden en hoogbouw; in West-Saoedi-Arabië ook grotten in lavavelden. Het modderen nest zit onder een overhang van rots of gebouw. Buiten de broedtijd in groepen, soms honderden, boven landbouwgebied, rioolwaterbekkens, wetlands en pivotvelden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in Marokko vooral ten zuiden van de Atlas en in de Anti-Atlas (schaars), plaatselijk in de West-Sahara, in Algerije van de Saharaatlas tot de Hoggar (plaatselijk algemeen), in Zuid-Tunesië en in Libië in het zuiden en in de bergen van het binnenland. In Egypte algemeen langs de Nijl, van Caïro tot Aswan en Abu Simbel, in de Sinaï en de Oostelijke Woestijn. In Israël (vooral het zuiden, sinds de jaren zeventig ook op huizen) en Jordanië (Petra, Wadi Rum, Dode Zee), en over vrijwel het hele Arabisch schiereiland, van West-Saoedi-Arabië en Jemen (met Socotra) tot Oman en de Emiraten, waar inmiddels duizenden paren op hoogbouw broeden; in Zuid-Irak sinds 2009 broedvogel. In de winter komen er veel vogels bij in Arabië, waar dan tot 150.000 vogels verblijven. Daarbuiten van Soedan, Eritrea en Somalië in het oosten en de Sahelbergen in het westen tot Iran, Afghanistan en Pakistan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de kloven van Wadi Rum en Petra, rond de tempels van Abu Simbel en Luxor of tussen de torenflats van Dubai en Abu Dhabi, waar hij langs de gevels jaagt. Bij Ein Gedi aan de Dode Zee jaagt hij in de winter naast de rotszwaluw: let dan op de egaal bleke onderkant.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied stabiel tot toenemend; de soort profiteert sterk van hoogbouw, bruggen en irrigatie in de woestijn.
Wetenschappelijke naam
Ptyonoprogne obsoleta | (Cabanis, 1851)
Cabanis beschreef de soort in 1851 als Cotyle obsoleta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ptyonoprogne werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. Ptyonoprogne is Grieks, van ptuon 'wan, waaier', naar de vorm van de gespreide staart, en Prokne, het meisje uit de mythe dat in een zwaluw veranderde. obsoleta is Latijn voor 'versleten, verbleekt', naar het vale verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de omgeving van Caïro in Egypte.


