Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Turkestaanse klauwier

Turkestaanse klauwier | Lanius phoenicuroides

Red-Tailed Shrike | Alcaudón colirrojo

Een slanke klauwier met een roestrode staart, die in Centraal-Azië en Iran broedt en in Oost-Afrika en het zuiden van Arabië overwintert. Voor het gidsgebied is hij vooral een doortrekker langs de Perzische Golf en door het binnenland van Arabië; in Oman is hij sinds 2005 ook een enkele keer als broedvogel vastgesteld.

Turkestaanse klauwier (Lanius phoenicuroides)
Foto: Jrrobinantony — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de trek en in de winter meestal stil. Alarmroep een hard, ratelend tsjek-tsjek-tsjek en een schor tsjèèr. De zang, in het voorjaar soms al op de trek te horen, is een zacht, krassend gebabbel met veel imitaties.

Luister: ZangXC1096347

Opname: Hsishu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16,5–18 cm. Het mannetje heeft een warm roodbruine kruin die duidelijk afsteekt tegen een grijsbruine mantel, een breed zwart masker dat over de snavelbasis doorloopt, een scherpe witte wenkbrauwstreep en een schone witte onderzijde met hooguit een roomkleurige zweem op de flanken. Stuit en staart zijn roestrood; aan de basis van de handpennen zit meestal een klein wit vlekje. Het vrouwtje is matter, met een bruiner masker en fijne golflijntjes op borst en flanken. Eerstejaars vogels zijn bruiner en boven en onder fijn geschubd, met een licht teugelgebied. Vogels van het type karelini, die in het noordoosten van Iran broeden, hebben een grijzere kruin en minder contrast.

Verwarrings­soorten

De Daurische klauwier (Lanius isabellinus) heeft ook een rode staart, maar is bleek zandkleurig met nauwelijks verschil tussen kruin en mantel, een smaller masker dat de snavelbasis vaak niet bereikt en een vage wenkbrauw; de onderzijde is warmer roomgeel. Bij vrouwtjes en eerstejaars is het onderscheid vaak niet te maken. De bruine klauwier (Lanius cristatus) is egaal warmbruin boven, met een doffere, sterker getrapte staart, een zwaardere snavel en een kortere handpenprojectie zonder wit vlekje. De grauwe klauwier (Lanius collurio) heeft een kastanjebruine rug en bij het mannetje een grijze kop en een zwart-witte staart; let op hybriden met gemengde staarttekening.

Leefgebied

Op de trek in elk open terrein met struiken en uitkijkposten: doornstruweel en acacia's op de Arabische vlakten, wadi's met tamarisken, de randen van akkers, dadelpalmtuinen, parken en golfbanen in de Golfstaten. Overwinteraars houden zich op in struweel, irrigatielandbouw en boomgaarden. De weinige broedgevallen in Oman lagen op hoogvlakten van het Hajargebergte, in struweel met amandel- en jeneverbesstruiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Doortrekker door het oosten van het gidsgebied: Irak, Koeweit, het oosten van Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Oman, in het voorjaar van maart tot mei en in het najaar van augustus tot oktober, in de Golfstaten talrijk. In de winter in kleinere aantallen in Oman, de Emiraten, Jemen en het zuidwesten van Saoedi-Arabië; in het oosten van Saoedi-Arabië wordt hij vooral op de trek gezien. Broedde in 2005 op de Saiq-hoogvlakte in Oman, met daarna enkele aanwijzingen voor broeden in Oman en de noordelijke Emiraten; het gaat om hooguit enkele tientallen paren en niet elk jaar. In Israël een schaarse doortrekker, vooral in de Arava en bij Eilat; in Jordanië, Syrië, Libanon en Egypte zeer zeldzaam, in de Maghreb niet bekend. Daarbuiten broedt hij van het Iraans Hoogland en de Kopet Dag door Centraal-Azië tot West-Xinjiang en overwintert hij vooral in Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In april en september in de Golfstaten: kijk in parken, golfbanen en boerderijen bij Dubai, Abu Dhabi of in Koeweit naar klauwieren op lage struiken en hekken. Kijk eerst naar het contrast tussen kruin en mantel en naar het masker boven de snavel, en beoordeel de kleur niet in tegenlicht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Wordt pas sinds kort als eigen soort beschouwd, los van de Daurische klauwier; oudere Arabische gegevens over beide zijn daardoor deels niet te scheiden. De kleine broedpopulatie in Oman is onregelmatig en kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Lanius phoenicuroides | (Schalow, 1875)

Schalow beschreef de soort in 1875 als Otomela phoenicuroides; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lanius werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. phoenicuroides betekent 'lijkend op een roodstaart', naar het geslacht Phoenicurus, van Grieks phoinix 'rood' en -ouros 'gestaart', naar de roestrode staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Shymkent in Kazachstan.