Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Grauwe klauwier
Grauwe klauwier | Lanius collurio
Red-Backed Shrike | Alcaudón dorsirrojo
De grauwe klauwier is de bekende klauwier van Europese struwelen en heggen, met een grijze kop, een zwart masker en een roodbruine rug. In het gidsgebied is hij vooral een talrijke doortrekker in het oosten, op weg tussen Europa en West-Azië en zijn winterkwartier in zuidelijk Afrika; hij broedt hier alleen in de bergen van de Levant en Noord-Irak.
Geluid
De roep is een hard tsjèk of tsjak, bij onraad versneld tot een ratelend tsjèk-tsjèk-tsjèk. De zang is een zacht, langdurig gekwetter met veel imitaties, in het gidsgebied alleen op de broedplaatsen te horen.
Opname: Azens — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
16–18 cm. Het mannetje heeft een blauwgrijze kruin, nek en stuit, een smal zwart masker dat tot aan de snavelbasis loopt, en een warm roodbruine rug en vleugeldekveren. De staart is zwart met witte zijkanten aan de basis; de onderzijde is wit met een roze waas op borst en flanken. Het vrouwtje is roodbruin tot grijsbruin boven met een bruin masker en fijne halvemaanvormige bandering op de witachtige onderzijde. Jonge vogels zijn warm bruin, dicht geschubd boven en onder, met een donkere subterminale rand aan de dekveren.
Verwarringssoorten
De Daurische klauwier (Lanius isabellinus) en de Turkestaanse klauwier (Lanius phoenicuroides) hebben een roestrode staart en stuit en een egaler zandkleurige of grijsbruine rug; vrouwtjes en jonge vogels zijn daaraan het best te herkennen. De bruinrugklauwier (Lanius vittatus) heeft een zwart voorhoofd, een witachtige stuit en een witte handpenvlek. Jonge roodkopklauwieren (Lanius senator) zijn grijzer, met een lichte schoudervlek en een bleke stuit.
Leefgebied
Broedt in halfopen terrein met doornstruiken: struweel op berghellingen, heggen, bosranden en verruigde weiden, op de Hermon tot boven de boomgrens. Op de trek in elk terrein met struiken of bomen: oases, tuinen, parken, acaciawadi's, olijfgaarden en het struweel langs de kust. Jaagt vanaf een struik op kevers, hommels en sprinkhanen en spietst prooi op doorns.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in klein aantal in de bergen van Israël (vooral op de Hermon, schaars op de Golan en in Opper-Galilea), in Libanon, West-Syrië en Noord-Irak (Koerdistan). Op de trek talrijk door het oostelijk deel van het gebied: in de herfst, augustus tot oktober, vooral door Egypte, Israël, Jordanië en West-Arabië, en in het voorjaar, eind april en mei, oostelijker door Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië, de Golfstaten, Oman en Jemen. In Libië schaars, in de Maghreb een zeldzame doortrekker. Daarbuiten broedt hij door vrijwel heel Europa tot West-Siberië en Iran en overwintert hij in Oost- en zuidelijk Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In mei zijn de parken en landbouwvelden van Koeweit, Qatar en de Emiraten soms vol doortrekkers; in september zit hij in Eilat en de Sinaï op elke struik. Wie broedvogels wil zien, gaat in juni naar de hellingen van de Hermon.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Europa na een lange afname plaatselijk hersteld. De kleine Israëlische stand staat op de nationale Rode Lijst als kwetsbaar, door bebossing, landbouw en de aanleg van wegen en skipistes op de Hermon. Op de trek komt vangst voor.
Wetenschappelijke naam
Lanius collurio | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Lanius voerde hij in datzelfde werk in. Lanius is Latijn voor 'slager', naar de gewoonte van klauwieren om prooien op doorns en prikkeldraad te spietsen. collurio gaat terug op het Griekse kollurion, de naam van een vogel bij Aristoteles. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


