Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Torenvalk
Torenvalk | Falco tinnunculus
Common Kestrel | Cernícalo vulgar
De torenvalk is de algemeenste en meest verspreide roofvogel van het gebied, van de Atlas en de Nijlvallei tot de Arabische bergen en Socotra. Zijn langdurig bidden boven één plek, met waaierende staart en stilstaande kop, maakt hem tot een van de makkelijkst herkenbare valken.
Geluid
Een schel, snel herhaald kie-kie-kie-kie, vooral bij het nest en bij territoriumgeschillen; jongen en bedelende vrouwtjes geven een trillend kriii.
Opname: Arjun Dutta — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
32–37 cm, spanwijdte 68–80 cm. Een middelgrote valk met lange, vrij spitse vleugels en een lange, aan het eind afgeronde staart. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop met een smalle donkere baardstreep, een roodbruine rug met zwarte vlekjes, en een blauwgrijze staart met een brede zwarte eindband en witte top; de handpennen zijn donker en contrasteren met de rug. Het vrouwtje is warmbruin met zwarte bandering boven, een gebandeerde bruine staart en sterker gestreepte, okerkleurige onderdelen. In vlucht toont de ondervleugel fijne stippels en bandjes. Woestijnvogels, zoals de Egyptische vorm in de Nijlvallei en Arabië, zijn vaak bleker en zandkleuriger.
Verwarringssoorten
De kleine torenvalk (Falco naumanni) is kleiner en slanker, met een wigvormige staart en witte nagels; het mannetje heeft een ongevlekte rug, een blauwgrijs vleugelpaneel en geen baardstreep. Vrouwtjes van beide zijn het lastigst; let op de duidelijker baardstreep en de dichter getekende ondervleugel van de torenvalk. Het vrouwtje van de roodpootvalk (Falco vespertinus) heeft een oranje kruin en een donker oogmasker en bidt minder. Het smelleken (Falco columbarius) is kleiner en compacter en bidt vrijwel nooit.
Leefgebied
Vrijwel elk open landschap met zitposten: rotswanden en kloven in bergen en woestijn, wadi's, akkers en boomgaarden, steppe, kustkliffen, oases en steden, waar hij op minaretten, flatgebouwen en ruïnes broedt. Hij bouwt geen nest maar legt in een rotsholte, een oud kraaiennest of een nis in een gebouw. Jaagt biddend of vanaf een zitpost op muizen, hagedissen, grote insecten en kleine vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Jaarrond en wijdverbreid in Marokko, inclusief West-Sahara, en in Noord-Algerije, Tunesië en de kuststreek van Libië, schaarser diep in de Sahara bij rotsmassieven als de Hoggar. In Egypte talrijk in de Nijlvallei en -delta en in de Sinaï. In de Levant algemeen in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië, en in Irak. In Arabië broedend in de bergen en rotsige woestijnen van Saoedi-Arabië, Jemen en Oman en in het Hajargebergte van de Emiraten; in de vlakke Golfstaten (Koeweit, Qatar, Bahrein) vooral als wintergast en doortrekker, met plaatselijk enkele broedparen. Op Socotra jaarrond. In de winter komen er trekvogels uit Europa en Centraal-Azië bij. Daarbuiten in vrijwel heel Europa, Azië en Afrika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Overal te zien; let op een valk die minutenlang biddend boven een berm of akker hangt. In Marokko op de kasbahs en kloven van het zuiden, in Egypte boven de velden langs de Nijl, in Arabië langs wadiwanden en op hoogspanningsmasten. Vergelijk in het voorjaar met kleine torenvalken die door hetzelfde gebied trekken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de soort is wijdverbreid en past zich goed aan stad en landbouw aan. In delen van Europa is hij afgenomen door intensivering van de landbouw en minder muizen; in het gebied spelen plaatselijk vergiftiging met rodenticiden, elektrocutie aan stroommasten en vangst een rol.
Wetenschappelijke naam
Falco tinnunculus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco voerde hij in datzelfde werk in. Falco is Laatlatijn voor 'valk', van falx, falcis 'sikkel', naar de sikkelvormige klauwen van de vogel. tinnunculus is de Latijnse naam van de torenvalk, bij tinnulus 'schel klinkend', naar de roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.


