Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Tibetaanse plevier

Tibetaanse plevier | Anarhynchus atrifrons

Tibetan Sand Plover | Chorlitejo tibetano

De kleine zandplevier van het Midden-Oosten. Sinds de splitsing van de oude mongoolse plevier in 2023 horen de vogels die in groten getale op de wadplaten van de Perzische Golf, Oman en Jemen overwinteren tot deze soort, vooral tot de ondersoort pamirensis uit de hooggebergten van Centraal-Azië.

Tibetaanse plevier (Anarhynchus atrifrons)
Foto: RahulaBirdingNerd — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, harde triller, drrit of tirrik, vaak in de vlucht; harder en droger dan de rollende roep van de woestijnplevier.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Compact en rond, met een korte, stompe zwarte snavel die korter is dan de afstand van snavelbasis tot achterkant van het oog, en donkergrijze poten. In winterkleed egaal grijsbruin van boven, met een wit voorhoofd en een witte wenkbrauwstreep, en grijsbruine borstvlekken die soms tot een smalle band samenkomen. Het mannetje in prachtkleed, vanaf maart, heeft een zwart masker en een grotendeels of geheel zwart voorhoofd en een brede oranjeroestige borstband zonder zwarte bovenrand. In vlucht een smalle witte vleugelstreep; de tenen steken niet of nauwelijks voorbij de staart.

Verwarrings­soorten

De woestijnplevier (Anarhynchus leschenaultii) is groter, met een langere, zwaardere snavel met verdikte punt, een grotere kop en langere, lichtere poten met tenen die in vlucht voorbij de staart steken. De mongoolse plevier (Anarhynchus mongolus) is in winterkleed niet met zekerheid te onderscheiden; mannetjes in prachtkleed hebben een wit voorhoofd en een zwarte bovenrand aan de borstband. De Kaspische plevier (Anarhynchus asiaticus) is slanker en hoogpotiger en staat op droge grond; de bontbekplevier (Charadrius hiaticula) heeft oranje poten en een volledige halsband.

Leefgebied

Getijdenslikken, zand- en slikplaten, lagunes, kreken in mangroven en zoutpannen; bij hoog water op stranden en schoorwallen, vaak in gemengde groepen met woestijnplevieren. Zelden in het binnenland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Langs de Perzische Golf een algemene wintergast en doortrekker van Koeweit en Zuid-Irak via Oost-Saoedi-Arabië (Tarut-baai, Al Uqair), Bahrein en Qatar tot de Emiraten; in de jaren tachtig werden in Oost-Saoedi-Arabië tienduizenden geteld. Ook talrijk langs de kust van Oman (Barr al Hikman, Masirah, Dhofar), in Jemen en op Socotra. Langs de Rode Zee schaarser: vrij schaars aan de Saoedische en Jemenitische kust, en een schaarse doortrekker in Egypte, Jordanië (Aqaba) en Israël (Eilat). Uit het binnenland zijn er slechts enkele waarnemingen. Ten westen van Egypte niet met zekerheid vastgesteld. Daarbuiten broedt hij in de Pamir, de Himalaya en op het Tibetaans Plateau en overwintert hij langs de kusten van Oost-Afrika, Zuid-Azië en Zuidoost-Azië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Barr al Hikman in Oman, de lagunes van Abu Dhabi en Khor Kalba en de baaien van Oost-Saoedi-Arabië zijn goede plekken van september tot april. Zoek bij opkomend water in gemengde groepen naar de kleinste, rondste zandplevieren en vergelijk direct met de woestijnplevier: de verhouding tussen snavel en kop is het beste houvast.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied vormen inpoldering en kustontwikkeling langs de Golf, verstoring op de wadplaten en de aantasting van mangroven de voornaamste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Anarhynchus atrifrons | (Wagler, 1829)

Wagler beschreef de soort in 1829 als Charadrius atrifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anarhynchus werd in 1832 ingevoerd door Quoy & Gaimard. Anarhynchus is Grieks, van ana- 'naar achteren, omgekeerd' en rhunkhos 'snavel', naar de zijwaarts gebogen snavel van de krombekplevier, de soort waarnaar het geslacht genoemd is. atrifrons is Latijn voor 'met zwart voorhoofd', van ater 'zwart' en frons 'voorhoofd'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bengalen.