Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Temmincks strandloper
Temmincks strandloper | Calidris temminckii
Temminck's Stint | Correlimos de Temminck
Een kleine, egaal grijsbruine strandloper die eerder aan een miniatuur-oeverloper doet denken dan aan zijn verwanten. Hij mijdt open slikvlakten en zoekt de begroeide randen van zoet water op: in het gidsgebied vind je hem op doortrek en 's winters aan rioolvijvers, irrigatiegreppels, visvijvers en de oevers van de Nijl.
Geluid
Een snel, droog trillertje tirrrrr of tiririririt, vaak gehoord als een vogel opvliegt; heel anders dan het korte tit van de kleine strandloper.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Een van de kleinste strandlopers, met een vrij lang achterlijf, een korte, licht gebogen donkere snavel en korte, geelgroene tot olijfkleurige poten. De bovendelen en de borst zijn vrij egaal grijsbruin, waarbij de borstband scherp afsteekt tegen de witte buik; daardoor lijkt hij op een kleine oeverloper. In broedkleed hebben de schouderveren enkele zwarte centra met rossige randen. Juvenielen zijn bruiner met fijne lichte schubben. In vlucht smalle witte vleugelstreep en, opvallend, geheel witte buitenste staartpennen.
Verwarringssoorten
De kleine strandloper (Calidris minuta) heeft zwarte poten, een rechte snavel, een witte keel en borst met alleen gestreepte zijkanten, en lichtere, contrastrijke bovendelen met vaak een witte V op de rug; de buitenste staartpennen zijn grijs. De taigastrandloper (Calidris subminuta) heeft ook gele poten, maar is bonter, met donkere, rossig gerande bovendelen, een duidelijke wenkbrauw en lange tenen. De oeverloper (Actitis hypoleucos) is groter, wipt met het achterlijf en vliegt laag met stijve, trillende vleugelslagen.
Leefgebied
De modderige, vaak begroeide randen van zoet en licht brak water: rioolvijvers, visvijvers, irrigatiekanalen, overstroomde velden, rijstvelden, oevers van rivieren en stuwmeren, en de randen van oasebronnen. Schuilt graag tussen lage vegetatie en is vaak alleen of in kleine groepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Op doortrek in het hele gebied, ook bij oases en irrigatieprojecten diep in de Sahara en de Arabische woestijnen; vooral in maart–mei en augustus–oktober. Overwintert in de Egyptische Nijldelta en Nijlvallei, in Irak (de Mesopotamische moerassen en het Eufraatdal), in kleine aantallen in Israël en Jordanië, en wijd verspreid in Arabië: van Koeweit, Bahrein, Qatar en de Emiraten tot Oman, het binnenland van Saoedi-Arabië en de Tihama en hooglanden van Jemen. In Noord-Afrika ten westen van Egypte een vrij schaarse doortrekker en plaatselijk wintergast in Tunesië, Algerije en Marokko. Daarbuiten broedt hij van Noord-Scandinavië tot Oost-Siberië en overwintert hij in de Sahel, Oost-Afrika en Zuid- en Zuidoost-Azië.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop in de winter de rioolvijvers en irrigatiekanalen van de Golfstaten af, zoals bij Al Wathba en Al Ansab (Muscat), of de visvijvers van de Bet Sjeanvallei in Israël. Een opvliegende kleine strandloper met een trillende roep en witte staartzijden is vrijwel zeker een Temmincks strandloper.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een groot broedgebied en een stabiele of licht afnemende populatie. In het gidsgebied profiteert hij plaatselijk van rioolwaterplassen en irrigatie, maar verliest hij natuurlijke wetlands door drainage en verdroging.
Wetenschappelijke naam
Calidris temminckii | (Leisler, 1812)
Leisler beschreef de soort in 1812 als Tringa Temminckii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. temminckii eert de Nederlandse zoöloog Coenraad Jacob Temminck (1778–1858), de eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hanau in Duitsland.


