Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Steppekievit
Steppekievit | Vanellus gregarius
Sociable Lapwing | Avefría sociable
Een zandkleurige, ernstig bedreigde kievit van de Kazachse steppe, waarvan een deel van de wereldpopulatie via Syrië en Irak naar winterkwartieren in Saoedi-Arabië en Soedan trekt. In het gidsgebied is hij een zeldzame, gewilde soort, die meestal in groepjes op droge akkers of bevloeide cirkelvelden staat.
Geluid
Buiten de broedtijd meestal stil. Bij opvliegen een schor, kort kretsj of tsjerk, droger dan het kie-wiet van de kievit; op de broedgrond een snel ratelend rek-rek-rek.
Opname: Jarek Matusiak — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Iets kleiner en slanker dan de kievit, zonder kuif, met lange zwarte poten en een korte zwarte snavel. In winterkleed, het kleed waarin hij hier vrijwel altijd te zien is, zandbruin tot grijsbruin met een vuilwitte buik en een sterk getekende kop: donkere kruin, donkere oogstreep en daartussen een brede roomwitte wenkbrauwstreep die op het voorhoofd en in de nek samenkomt. In het voorjaar verschijnt het prachtkleed met zwarte kruin, witte wenkbrauw, okergele wang en een zwarte, achterwaarts kastanjebruine buikvlek. In vlucht toont de bovenvleugel drie zones: bruine dekveren, helder witte armpennen en zwarte handpennen; stuit en staart wit met een zwarte eindband. Jonge vogels hebben bleke veerzomen en een gestreepte borst.
Verwarringssoorten
De witstaartkievit (Vanellus leucurus) heeft een ongetekende kop, lange gele poten en een geheel witte staart. De kievit (Vanellus vanellus) is zwart-wit met groene glans en heeft een kuif. De morinelplevier (Eudromias morinellus), die in dezelfde woestijnvlakten overwintert, heeft ook een lichte wenkbrauwstreep, maar is veel kleiner, heeft een lichte borstband en toont in vlucht geen wit vleugelveld. De goudplevier (Pluvialis apricaria) is goudgespikkeld en kortpotig.
Leefgebied
In het gidsgebied droge, open vlakten met korte vegetatie: braakland, stoppels, geploegde akkers, halfwoestijn en beweide steppe, en vooral de bevloeide cirkelvormige akkers (pivots) van Saoedi-Arabië, Qatar en Oman, waar luzerne en gras kort worden gehouden. Drinkt graag bij plassen of sproei-installaties in de buurt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
De westelijke trekroute loopt van Kazachstan via de Kaukasus en Zuidoost-Turkije (Ceylanpınar, aan de Syrische grens) door Noordoost-Syrië en Irak naar het Arabisch Schiereiland en Soedan. In Syrië en Irak vooral doortrekker en plaatselijk wintergast. In Saoedi-Arabië een regelmatige wintergast in kleine aantallen op de pivotakkers van het binnenland, onder meer bij Haradh en Al Kharj. Schaars in Koeweit, Qatar, de Emiraten en Oman; in Israël een zeldzame maar vrijwel jaarlijkse wintergast in de Hula- en Bet She'anvallei en in de noordelijke Negev; zeldzaam in Jordanië en Libanon. In Egypte, Jemen, Bahrein en Marokko een dwaalgast. Daarbuiten broedt hij in Kazachstan en Zuid-Rusland en overwintert hij ook in Pakistan en Noordwest-India.
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop van november tot februari groepen kieviten en goudplevieren af op cirkelakkers en braakliggend land; let op een vogel die zandbruiner is en hoger op de poten staat. Wacht tot de groep opvliegt: het witte armpennenveld tussen bruin en zwart is op afstand het snelste kenmerk. Noteer kleurringen of zenders en meld elke waarneming; voor deze soort telt elk gegeven.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd. De aantallen zakten in de twintigste eeuw sterk; recente tellingen van duizenden vogels in Centraal-Azië tonen dat er meer zijn dan lang gevreesd, maar de lage overleving van volwassen vogels blijft het kernprobleem. Jacht langs de trekroute in Syrië en Irak is een belangrijke doodsoorzaak; op de steppe spelen het wegvallen van beweiding en het omploegen van grasland mee.
Wetenschappelijke naam
Vanellus gregarius | (Pallas, 1771)
Pallas beschreef de soort in 1771 als Charadrius gregarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is Latijn voor 'kleine wan', een verkleinvorm van vannus 'wan'. gregarius is Latijn voor 'in troepen levend', van grex, gregis 'kudde, troep', naar de gezelligheid buiten de broedtijd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Wolgagebied in Rusland.


