Alle soorten › Zangvogels › Staartmezen › Staartmees

Staartmees | Aegithalos caudatus

Long-Tailed Tit | Mito común

De staartmees is een van de soorten die het gidsgebied alleen in de uiterste noordoosthoek raken. Hij leeft in de eikenbossen van het Zagrosgebergte in Iraaks Koerdistan, waar de grijsruggige vormen van Iran en Anatolië voorkomen; in Noord-Afrika, de Levant en Arabië ontbreekt hij.

Staartmees (Aegithalos caudatus)
Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een onafgebroken contactgebabbel van de troep: een ijl, hoog sie-sie-sie, een kort pt en vooral een droge, ratelende tserrrp, het beste kenmerk. Een echte zang is er nauwelijks.

Luister: VluchtroepXC1182975

Opname: Paul Gosling — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

13–15 cm, waarvan 7–9 cm staart. Een bolrond lijfje met een klein rond kopje, een minuscuul stomp snaveltje en een zeer lange, zwart-witte, getrapte staart. De vormen van het Midden-Oosten (passekii in de Zagros, tephronotus in Anatolië) zijn anders dan de Europese: ze hebben een grijze in plaats van zwarte rug, een witte kruin met een brede zwarte band boven het oog naar de nek, een kleine donkere keelvlek en weinig roze op de flanken. Jonge vogels zijn bruiner en korter gestaart, met een donkere wang. De vlucht is zwak en golvend, en de vogels volgen elkaar één voor één.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied is er geen echte verwarringssoort: geen andere kleine bosvogel combineert een rond lijfje met zo'n lange zwart-witte staart. Een schuwe, ver weg vliegende vogel kan even aan een westelijke gestreepte prinia (Prinia gracilis) doen denken, maar die is egaal grijsbruin en gestreept en leeft in laag struikgewas, niet in bos.

Leefgebied

Open eikenbos en eiken-jeneverbesbos op berghellingen, struweel met wilde amandel en hagedoorn, oeverbos langs bergbeken en boomgaarden aan de bosrand. Buiten de broedtijd zwerven troepjes van tien tot twintig vogels rond, vaak met mezen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied alleen in het noordoosten van Irak, in de eikenbossen van het Zagros- en Taurusgebergte in Iraaks Koerdistan; of hij ook in het uiterste noorden van Syrië voorkomt, is onduidelijk. Daarbuiten van de Britse Eilanden en Iberië door Europa en Turkije, de Kaukasus en Iran tot Japan, in een lange reeks ondersoorten.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de eikenbossen rond Sulaymaniyah en in de bergen van Duhok en Erbil naar een rondtrekkend troepje; het ratelende tserrrp is meestal het eerste teken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied beperkt tot een klein, slecht onderzocht stuk bergbos in Koerdistan, dat te lijden heeft onder kap, overbegrazing, branden en conflicten; de aantallen zijn er niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Aegithalos caudatus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Parus caudatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aegithalos werd in 1804 ingevoerd door Hermann. Aegithalos is Grieks: aigithalos was bij Aristoteles de naam voor enkele Europese mezen, waaronder de staartmees. caudatus is Latijn voor 'gestaart', naar de lange staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.