Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Rüppells wever
Rüppells wever | Ploceus galbula
Rüppell's Weaver | Tejedor de Rüppell
De Rüppells wever is de gewone gele wever van Zuidwest-Arabië: in de Tihama, de wadi's van Asir en Jemen en de tuinen van Dhofar hangen zijn nestkolonies als trossen groene ballen aan acacia's en palmen. Het is de enige wever die van nature in het gidsgebied broedt.
Geluid
Een aanhoudend, sissend en ratelend gekwetter rond de kolonie, met raspende en piepende tonen, ongeveer tsjuk-tsjuk-zzzzizizi, vaak met trillende vleugels onder het nest; als roep een droog tsjuk of tsjet.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
14 cm, een middelgrote, gedrongen wever met een zware, kegelvormige zwarte snavel. Het mannetje in broedkleed is helder geel met een kastanjebruin masker over voorhoofd, wangen en keel, dat naar de borst toe in oranje overgaat; de rug is geelgroen met vage donkere streping, de vleugels zijn donker met gele randen. Het oog is roodbruin, de poten zijn vleeskleurig. Het vrouwtje en het mannetje buiten de broedtijd zijn dof olijfgeel van boven met lichte streping, bleek geelachtig tot vuilwit van onderen, met een gele wenkbrauwstreep en een hoornkleurige snavel; het kastanjebruine masker ontbreekt dan. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
De Arabische goudmus (Passer euchlorus) is kleiner en egaal geel zonder masker en zonder streping op de rug; het vrouwtje is effen bleekbruin. De dottergele wever (Ploceus vitellinus) en de grote textorwever (Ploceus cucullatus), beide hooguit als ontsnapte kooivogel, hebben een zwart masker. De gestreepte wever (Ploceus manyar) heeft een gele kruin, een donker gezicht en een zwaar gestreepte borst. Vrouwtjes zijn lastiger: let op de bouw, de zware snavel en het gezelschap van mannetjes.
Leefgebied
Acaciasavanne en doornstruweel van de kustvlakte, begroeide wadi's en terrasdalen in de bergen, verder tuinen, palmgaarden, akkers en bomen bij waterputten en dorpen; in het hoogland tot ongeveer 2500 m. Broedt in kolonies: het mannetje weeft een groene, kogelvormige grasbal met de ingang aan de onderzijde, vaak aan een overhangende tak boven water of een pad, en scheurt nesten die geen vrouwtje trekken weer af. Eet zaden, nectar en insecten en sluit zich buiten de broedtijd aan bij groepen mussen en andere zaadeters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Saoedi-Arabië: algemeen in de Tihama en de westelijke bergen van Asir en Hejaz, noordwaarts tot voorbij Djedda; in de bergen vooral zomergast, in de winter lager. Jemen: wijdverbreid in de kustvlakte, het hoogland en de wadi's van het zuiden. Oman: algemeen in Dhofar, onder meer rond Salalah. Daarbuiten zijn er verwilderde populaties uit ontsnapte kooivogels: rond Riyad, waar de soort broedt, en in Koeweit, waar zij sinds omstreeks 2010 in tuinen en parken voorkomt; losse vogels in de Oostelijke Provincie van Saoedi-Arabië, Bahrein en de Emiraten. Buiten het gebied in Noordoost-Afrika: Soedan, Eritrea, Djibouti, Ethiopië, Somalië en het noorden van Kenia.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Dhofar is de soort in de parken en kokospalmtuinen van Salalah moeilijk te missen; in Asir en Jemen vind je kolonies het makkelijkst bij acacia's naast irrigatiekanalen en waterputten. Een gele wever buiten Zuidwest-Arabië en Dhofar is bijna altijd een ontsnapte kooivogel: fotografeer hem en controleer de soort.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Zuidwest-Arabië en Dhofar een algemene, inheemse standvogel; de populaties rond Riyad en in Koeweit gaan terug op ontsnapte of losgelaten kooivogels.
Wetenschappelijke naam
Ploceus galbula | Rüppell, 1840
Rüppell beschreef de soort in 1840 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus is Grieks, van plokeus 'vlechter', van plekō 'vlechten', naar de geweven nesten. galbula is de Latijnse naam van een kleine gele vogel, waarschijnlijk de wielewaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Modat-vallei in Eritrea.


