Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Reuzenzwartkopmeeuw

Reuzenzwartkopmeeuw | Ichthyaetus ichthyaetus

Pallas's Gull | Gavión cabecinegro

De grootste meeuw met een zwarte kop ter wereld, bijna zo groot als een grote mantelmeeuw, met een fors, langgerekt profiel. Hij broedt op de steppemeren van Centraal-Azië en is in het oostelijk deel van het gidsgebied een vaste en opvallende wintergast.

Reuzenzwartkopmeeuw (Ichthyaetus ichthyaetus)
Foto: Vedant Raju Kasambe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diep, schor en kraaiachtig krau of kra-ah, lager dan andere meeuwen; buiten het broedgebied weinig te horen.

Luister: VluchtroepXC766057

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Zeer groot, met een lange, zware snavel, een lage, schuin oplopende voorhoofdslijn en een hoge achterkop, lange vleugels en lange poten. Volwassen vogels hebben een lichtgrijze mantel, witte vleugelpunten met een kleine zwarte subterminale tekening en in broedkleed (vanaf januari al bij veel vogels) een zwarte kap met opvallende witte oogleden. De snavel is geel met een rode punt en een zwarte band, de poten zijn geel. In winterkleed een witte kop met een donker masker achter het oog en een donker getinte achterkop. Jonge vogels hebben een wit lichaam, een grijze mantel al in de eerste winter, een scherpe zwarte staarteindband, donkere vleugeltoppen en een bleke snavel met een zwarte punt.

Verwarrings­soorten

Door formaat en profiel nauwelijks te verwarren. Grote meeuwen als de Armeense meeuw (Larus armenicus) en de Pontische meeuw (Larus cachinnans) missen de zwarte kap of het donkere masker en hebben een andere vleugeltekening. De zwartkopmeeuw (Ichthyaetus melanocephalus) heeft een vergelijkbare kap maar is half zo groot. Jonge vogels lijken op jonge zilvermeeuwachtigen, maar hebben al vroeg een zuiver grijze mantel, een witte staart met een scherpe zwarte band en een lange, spitse snavel.

Leefgebied

Kusten, lagunes, havens en riviermondingen, maar ook grote binnenwateren: meren, stuwmeren, visvijvers en rivieren. Jaagt op vis en rust op zandbanken, golfbrekers en dijkjes, vaak in losse groepen apart van andere meeuwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Overwintert langs de hele Perzische Golf (Koeweit, Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar, de Emiraten) en de kust van Oman, langs de Rode Zee in Egypte, Saoedi-Arabië en Jemen en in de Golf van Aden. In Irak talrijk op de moerassen, de rivieren en stuwmeren. In Israël en Jordanië regelmatig in kleine aantallen op het Meer van Galilea, de visvijvers van het binnenland en de kust en in de Golf van Aqaba; schaarser in Libanon en Syrië. In Egypte vooral aan de Golf van Suez, de Rode Zeekust en het Nassermeer, zeldzaam in de Nijldelta. Ten westen van Egypte een zeldzame dwaalgast (Libië, Tunesië, Marokko). Daarbuiten broedt hij op meren van de Zwarte Zee-steppen tot Mongolië en overwintert hij van het oostelijk Middellandse Zeegebied tot India en Myanmar.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter een vaste gast bij Eilat (noordstrand en zoutpannen) en op het Meer van Galilea; in de Golf goed te zien op de stranden van Koeweit, de lagunes van Abu Dhabi en Khawr Rawri in Oman. De volwassen vogels krijgen al vanaf januari hun zwarte kap en zijn dan op grote afstand herkenbaar.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. De broedpopulatie op de steppemeren is gevoelig voor veranderingen in de waterstand; in het overwinteringsgebied hangt hij af van rustige kusten en visrijke binnenwateren, en wordt hij plaatselijk bedreigd door vervuiling, verstoring en vervolging bij viskwekerijen.

Wetenschappelijke naam

Ichthyaetus ichthyaetus | (Pallas, 1773)

Pallas beschreef de soort in 1773 als Larus Ichthyaetus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ichthyaetus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Ichthyaetus is Grieks, van ikhthus 'vis' en aetos 'arend', dus 'visarend'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische Zee.