Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Reuzenstern

Reuzenstern | Hydroprogne caspia

Caspian Tern | Pagaza piquirroja

De grootste stern ter wereld, zo groot als een middelgrote meeuw, met een enorme koraalrode snavel. In het gidsgebied broedt hij in kolonies op eilanden in de Rode Zee, de Perzische Golf en de Arabische Zee en in kleine aantallen in Tunesië, en in de winter is hij te vinden langs vrijwel alle kusten en op grotere binnenwateren.

Reuzenstern (Hydroprogne caspia)
Foto: Dick Daniels (https://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zeer luid, rauw en hees kraa-ah of krrrjaa, als van een reiger; jongen bedelen met een hoog, fluitend wieoe, ook nog in de winter.

Luister: ZangXC1181911

Opname: Clément Bruneau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Groot en zwaar gebouwd, met brede vleugels. Lichtgrijs van boven en wit van onder; in de broedtijd een volledig zwarte kap met een korte, ruige kuif. De zware, dolkvormige snavel is koraal- tot bloedrood met een donkere vlek voor de punt. Poten zwart. In de winter is de kap wit met fijne zwarte streepjes. Van onderen zijn de handpennen opvallend donker, wat in vlucht een donkere vleugelpunt geeft. Korte, ondiep gevorkte staart. Jonge vogels hebben een bruinig getekende rug en een oranjere snavel.

Verwarrings­soorten

De grote kuifstern (Thalasseus bergii) is kleiner en slanker, met een gele snavel, een donkerdere grijze mantel en een witte voorhoofdsvlek; de koningsstern (Thalasseus maximus), een dwaalgast, heeft een slankere oranje snavel, een witter voorhoofd buiten de vroege broedtijd en lichte ondervleugelpunten. De lachstern (Gelochelidon nilotica) heeft een korte zwarte snavel. Jonge meeuwen zoals de Hemprichs meeuw (Ichthyaetus hemprichii) zijn plomper en vliegen anders.

Leefgebied

Kustlagunes, getijdenvlakten, zoutpannen en riviermondingen; in de winter ook grote meren, stuwmeren en rivieren in het binnenland, zoals de Nijl en het Nassermeer. Duikt met een stevige stoot naar vis. Broedt in kolonies op kale, zandige of rotsige eilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In Noord-Afrika broedt een kleine kolonie in Tunesië; verder is hij hier vooral wintergast langs de kusten van Marokko (vooral de Atlantische kust zuidwaarts tot West-Sahara), Algerije, Tunesië, Libië en Egypte, waar hij ook op de deltameren en langs de Nijl overwintert. In de Rode Zee broedt hij op zandige eilanden langs de Egyptische kust (onder meer Ashrafi, Gifton, Wadi El Gemal en de Hamata-eilanden, ongeveer 60 paren, met een opvallend vroege broedtijd vanaf december) en langs de Saoedische en Jemenitische kust. Verder broedt hij op eilanden in de Perzische Golf (Bahrein, Saoedi-Arabië, Qatar, de Emiraten) en langs de kust van Oman, onder meer bij Barr al Hikman. In Israël, Libanon, Syrië, Irak en Koeweit vooral doortrekker en wintergast. Daarbuiten broedt hij verspreid in Europa (Oostzee, Zwarte Zee), Centraal-Azië, Australië, Noord-Amerika en West-, Oost- en Zuid-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter zijn ze goed te zien in de golf van Gabès en bij Sfax in Tunesië, bij het Burullusmeer in Egypte en langs de baai van Khnifiss en Dakhla in het zuiden van Marokko. In de Golf rusten ze bij laagwater op de zandplaten van Al Jahra (Koeweit) en Ras al-Khor (Dubai).

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en in delen van zijn verspreidingsgebied toegenomen. In het gidsgebied zijn de kolonies klein en kwetsbaar voor verstoring van broedeilanden door toerisme en vissers, het rapen van eieren en kustontwikkeling; de Egyptische Rode Zee-eilanden liggen grotendeels in beschermd gebied.

Wetenschappelijke naam

Hydroprogne caspia | (Pallas, 1770)

Pallas beschreef de soort in 1770 als Sterna caspia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydroprogne werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Hydroprogne verbindt het Griekse hudro- 'water' met het Latijnse progne 'zwaluw'. caspia is Latijn en verwijst, net als de Nederlandse en Engelse naam elders, naar de Kaspische Zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaspische Zee.