Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Pontische meeuw
Pontische meeuw | Larus cachinnans
Caspian Gull | Gaviota del Caspio
Een grote, langgerekte meeuw met een kleine kop op een lange hals, die in de steppen en aan de meren rond de Zwarte en Kaspische Zee broedt. In het gidsgebied is hij een talrijke wintergast in de oostelijke helft: langs de Levantkust, in de Nijldelta, in Irak en vooral aan de Perzische Golf, waar hij een van de gewoonste grote meeuwen is.
Geluid
Een hees, nasaal en wat 'snaterend' lachen, lager en zwaarder dan bij de zilvermeeuw; bij de lange roep worden de vleugels vaak hoog geheven, een houding die bij deze soort opvallend is.
Opname: Pauline Guinet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en slank, met een peervormig lichaam, lange poten en lange vleugels die ver voorbij de staart uitsteken. De kop is klein met een aflopend voorhoofd en een klein, vaak donker oog; de snavel is lang en parallel, zonder sterke gonyshoek, met een kleine rode vlek en vaak een donker vlekje. De mantel is middengrijs, iets donkerder dan bij de zilvermeeuw en lichter dan bij de geelpootmeeuw; de poten zijn vaalroze tot bleekgeel. De vleugelpunt toont veel wit: een grote witte spiegel op p10, vaak een witte punt, en lange grijze tongen op de binnenvlag van de buitenste handpennen. De kop is ook in de winter wit of slechts fijn gestreept op de achterhals. Eerstejaars ogen bleek: witte kop en onderdelen, egaal grijze schouderveren met een donkere schachtstreep, donkere tertials met een smalle bleke rand, een witte ondervleugel en een smalle, scherpe staartband.
Verwarringssoorten
De geelpootmeeuw (Larus michahellis) is forser en hoekiger, met een zwaardere snavel met duidelijke gonyshoek, felgele poten, een donkerder mantel en minder wit in de vleugelpunt. De Armeense meeuw (Larus armenicus) is kleiner en compacter, met een korte, stompe snavel met een zwarte band, een donkerder mantel en een donkere vleugelpunt met weinig wit. De kleine mantelmeeuw (Larus fuscus), in het oosten vooral de vormen heuglini en barabensis, heeft gele poten en een donkerder mantel. De zilvermeeuw (Larus argentatus) is lichter en vlekkeriger van kop in de winter, met roze poten en een kortere snavel.
Leefgebied
Kusten, riviermondingen, lagunes, havens, viskwekerijen, stuwmeren, rivieren en vuilstortplaatsen, ook ver in het binnenland langs de Eufraat, de Tigris en de Nijl. Broedt buiten het gebied op eilanden in steppemeren en aan riviermondingen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In de winter wijdverbreid in het oosten van het gidsgebied: talrijk in Israël (kust, visvijvers, Hula-vallei en Eilat), Libanon en Syrië, in Egypte in de Nijldelta, langs het Suezkanaal en aan de noordelijke Rode Zee, in Jordanië bij Akaba, in Irak langs de rivieren en de moerassen, en vooral langs de Perzische Golf van Koeweit via Oost-Saoedi-Arabië, Bahrein en Qatar tot de Emiraten en Oman, waar duizenden overwinteren. In kleiner aantal aan de Arabische Rode Zeekust tot in Jemen. Ten westen van Egypte zeldzaam: losse vogels in Libië en Tunesië, en hooguit dwaalgast in Algerije en Marokko. Daarbuiten broedt hij van Oekraïne en de Zwarte Zee via de Kaspische Zee tot Kazachstan, en breidt hij zich uit naar Polen en Duitsland; hij overwintert ook rond de Zwarte Zee, in Centraal-Europa en in Zuidwest-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Een winterbezoek aan de vuilnisbelten en kwekerijen rond Koeweit, Bahrein of Abu Dhabi levert vaak honderden Pontische meeuwen op naast steppe- en Heuglins kleine mantelmeeuwen: ideaal om de soorten naast elkaar te vergelijken. In Israël is de noordkust bij Ma'agan Michael met zijn visvijvers een klassieke plek.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de populatie is in de laatste decennia toegenomen en naar het westen uitgebreid. In het gidsgebied profiteert hij van vuilstorten en viskwekerijen; er zijn geen bijzondere bedreigingen bekend.
Wetenschappelijke naam
Larus cachinnans | Pallas, 1811
Pallas beschreef de soort in 1811 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. cachinnans is Latijn voor 'schaterlachend', van cachinnare 'luid lachen', naar de roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische Zee.


