Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Perzische woestijnpatrijs
Perzische woestijnpatrijs | Ammoperdix griseogularis
See-See Partridge | Perdiz persa
De oostelijke tegenhanger van de Arabische woestijnpatrijs: een klein, zandgrijs hoentje van de droge heuvels van Noord-Irak en Oost-Syrië, aan de westrand van een areaal dat tot in Centraal-Azië reikt. Het is een van de minst bekeken hoenders van het gidsgebied, omdat zijn leefgebied de laatste decennia nauwelijks door vogelaars bezocht kon worden.
Geluid
Een herhaald, fluitend en wat nasaal wuit-wuit of hoe-wiet, vooral bij zonsopgang en tegen de avond vanaf een rotsblok; een groepje dat opvliegt laat een snel, dun sie-sie-sie horen, waar de Engelse naam van komt.
Opname: Patrik Åberg — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 24 cm, rond en kortstaartig. De haan heeft een grijze kop met een zwarte band over het voorhoofd die als smalle zwarte streep door het oog naar achteren loopt, met daaronder een witte streep langs de wang. De keel is grijs, de halszijden zijn wijnrood met witte stippels, de borst roze-grijs. De flanken dragen brede banden in kastanje, zwart en roomwit; de bovendelen zijn egaal zandkleurig grijs met fijne gewolkte tekening. Snavel oranje, poten geelachtig. De hen is effen zandkleurig en fijn gegolfd, zonder kopstreep, met dichte fijne bandering op hals en borst. In vlucht roestbruine buitenste staartpennen.
Verwarringssoorten
De Arabische woestijnpatrijs (Ammoperdix heyi) is de naaste verwant en vervangt hem naar het zuidwesten; de arealen overlappen in het gidsgebied nauwelijks. De haan daarvan mist de zwarte voorhoofdsband en oogstreep en heeft in plaats daarvan een witte vlek vóór het oog en een witte oorvlek. Hennen van beide soorten zijn in het veld nauwelijks te scheiden: gebruik de plaats. De Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar) deelt de heuvels van Koerdistan maar is bijna twee keer zo groot, met rode snavel, rode poten en een zwart omlijnde roomwitte keel.
Leefgebied
Droge, kale tot schaars begroeide heuvels en lage bergen met rotsblokken, puinhellingen, ravijnen en de beddingen van droge stroompjes, ook steppehellingen met verspreide dwergstruiken en randen van droge akkers. Doorgaans tussen 200 en 2000 meter. Water binnen loopafstand is onmisbaar; groepjes komen 's ochtends en 's avonds lopend naar bronnen en poelen. Eet zaden, groene plantendelen en insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied in het noorden en oosten van Irak, in de uitlopers van het Koerdische en Zagros-gebergte, op Jebel Sinjar en in de heuvels van Jebel Hamrin, en in het noorden en oosten van Syrië, onder meer op Jebel Abd al-Aziz en in de heuvels ten oosten van de Eufraat. De huidige stand in beide landen is slecht bekend. Buiten het gebied in Zuidoost-Turkije en via Iran en Afghanistan tot Pakistan, Turkmenistan en Tadzjikistan.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Waar het veilig en toegestaan is: Iraaks Koerdistan, bij zonsopgang op een uitkijkpunt boven een droog, rotsig ravijn in de lage uitlopers van het gebergte. Luister naar de fluitende roep en zoek dan de rotsblokken af. Wie een bron of drinkbak vindt, kan daar in de vroege ochtend groepjes zien aankomen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Irak en Syrië staat de soort onder druk van intensieve jacht, ook met lokvogels, en van overbegrazing; door de onveiligheid van de afgelopen decennia is over trends in het gebied vrijwel niets bekend.
Wetenschappelijke naam
Ammoperdix griseogularis | (Brandt, 1843)
Brandt beschreef de soort in 1843 als Perdix griseogularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ammoperdix werd in 1851 ingevoerd door Gould. Ammoperdix is Grieks, van ammos 'zand' en perdix 'patrijs': de patrijs van het zand. griseogularis is Latijn voor 'grijskelig', van griseus 'grijs' en gularis 'van de keel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Iran.


