Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Palestijnse honingzuiger
Palestijnse honingzuiger | Cinnyris osea
Palestine Sunbird | Suimanga palestino
De Palestijnse honingzuiger is de honingzuiger van de Levant en West-Arabië en de enige van de familie die tot in het Middellandse Zeegebied doordringt. In tuinen in Israël en Jordanië is hij een gewone verschijning.
Geluid
Zeer vocaal. De roep is een luid, stijgend tsjwie of tsjwiet; de zang is een snelle, ratelende reeks van hoge noten, tsjiwi-tsjiwi-tsjiwi, die tegen het einde versnelt, het hele jaar te horen.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
10–11 cm. Klein, met een lange, sterk gebogen snavel en een vrij korte staart. Het mannetje in broedkleed lijkt van een afstand zwart, maar glanst in de zon metaalblauw, groen en violet op kop, borst en rug; bij het uitslaan van de vleugels zijn onder de schouders oranjerode en gele borstpluimpjes te zien. Het mannetje in rustkleed (zomer–herfst) is vrouwtjesachtig met een donkere vleugel en wat losse glanzende veren. Het vrouwtje is egaal grijsbruin boven, lichter grijs onder, zonder streping en zonder geel; de staart is donkerder.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje van de purperhoningzuiger (Cinnyris asiaticus), alleen in Oman en de Emiraten, is gelig onder. De Arabische honingzuiger (Cinnyris hellmayri) in Zuidwest-Arabië is groter, het mannetje heeft een rode borstband en een donkere buik. De nijlhoningzuiger (Hedydipna metallica) heeft een kortere snavel, het mannetje gele onderdelen en staartspelden. Vrouwtjes kunnen op een tjiftjaf (Phylloscopus collybita) lijken, maar de gebogen snavel is beslissend.
Leefgebied
Tuinen, parken en dorpen met bloeiende sierplanten, boomgaarden en bomen langs rivieren; in woestijngebied wadi's en oases met acacia's, Calotropis en maretak (Loranthus), tot in de bergen van Zuidwest-Arabië boven 2000 m.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In Israël en Jordanië wijdverbreid, van de kustvlakte tot de Jordaanvallei en Akaba; ook in Libanon en West-Syrië, en in de Sinaï (vooral het zuiden). In Saoedi-Arabië in de Hidjaz en Asir, verder in Jemen en in Dhofar (Zuid-Oman). Daarbuiten heeft hij zich in Zuid-Turkije (Hatay) gevestigd; een aparte ondersoort leeft in Centraal-Afrika van Tsjaad tot Oeganda.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Eilat, in de Jordaanvallei en in de tuinen van Jeruzalem en Amman zit hij vaak op bloeiende sierstruiken en tegen ramen. Volg in de broedtijd de ratelende zang naar een kale tak: in de zon licht het mannetje dan op in blauw en violet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Profiteert sterk van tuinen en sierbeplanting; het areaal is in de 20e eeuw naar het noorden uitgebreid, onder meer naar Libanon en Zuid-Turkije.
Wetenschappelijke naam
Cinnyris osea | Bonaparte, 1856
Bonaparte beschreef de soort in 1856 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris komt van het Griekse kinnuris, een onbekend vogeltje dat Hesychius van Alexandrië noemt. osea gaat terug op het Griekse hosia 'heilig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de vlakte van Jericho.


