Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Orpheusspotvogel

Orpheusspotvogel | Hippolais polyglotta

Melodious Warbler | Zarcero común

De orpheusspotvogel is de spotvogel van de Maghreb: een zomergast die in Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië broedt in struweel en boomgaarden met dichte ondergroei. Hij is ronder en korter van vleugel dan de spotvogel en zingt een snel, mussenachtig gebabbel vanuit het binnenste van een struik. Ten oosten van Tunesië is hij in het gebied een zeldzaamheid.

Orpheusspotvogel (Hippolais polyglotta)
Foto: Frank Vassen from Brussels, Belgium — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een snel, laag, ratelend gebabbel dat aan een uitgelaten huismus doet denken: een aanhoudende stroom korte, schurende en kwetterende noten, minutenlang volgehouden vanuit een struik, vlakker en egaler dan bij de spotvogel en zonder het nasale de-de-roid. De roep is een droog, mussenachtig tret-tret-tret en een kort tek. Zang van april tot in juli.

Luister: ZangXC1175101

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Olijfbruin tot groenbruin boven en zacht geel onder, met een ronde kop, een brede snavel met oranje ondersnavel en een korte, gedrongen indruk. Beslissend is de vleugelformule: de handpenprojectie is kort, hooguit de helft van de zichtbare tertials, zodat de vleugel stomp en de staart lang lijkt. Meestal ontbreekt een bleek vleugelpaneel, of er is hooguit een vage lichte zoom op de armpennen. Poten bruingrijs tot vleeskleurig bruin. Jonge vogels in het najaar zijn valer, maar houden een gele waas op keel en borst.

Verwarrings­soorten

De spotvogel (Hippolais icterina) heeft een lange handpenprojectie van ongeveer de tertiallengte, een duidelijk bleek vleugelpaneel, blauwgrijze poten en een kantiger kop; in de Maghreb is hij vooral een schaarse doortrekker. De Westelijke vale spotvogel (Iduna opaca), die in dezelfde streken broedt, is grijsbruin zonder geel, langer van snavel en tikt voortdurend met de staart. De fitis (Phylloscopus trochilus) is kleiner, fijner van snavel en heeft een scherpe wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Ruig, zonnig struweel met bramen, mastiek en jonge bomen, bosranden en open eiken- en kurkeikenbos, oevers met wilg en tamarisk, en boomgaarden en olijfgaarden met een dichte ondergroei; in de Atlas tot ongeveer 2000 m. Op de trek ook in oases en wadi's met struiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Zomergast in het noorden van de Maghreb: in Marokko vrij algemeen in de Rif, de Atlantische laagvlakte, de Midden-Atlas en de Hoge Atlas tot in de vallei van de Souss, in Algerije in de Tell en de Kabylië, in Tunesië in het noorden en de Kroumirie; in Noordwest-Libië hooguit een zeldzame doortrekker. Op de trek door Marokko en de Westelijke Sahara langs de Atlantische kust naar West-Afrika; oostelijker in het gebied (Egypte, Israël en Arabië) een dwaalgast. Daarbuiten broedt de soort in Zuidwest-Europa, van Portugal en Spanje tot Frankrijk en Noordwest-Italië, en overwintert in West-Afrika van Senegal tot Nigeria en Kameroen.

  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in mei en juni in de valleien van de Midden-Atlas rond Ifrane en Azrou of in de bramenstruwelen van de Rif naar het mussenachtige gebabbel uit een struik; met geduld klimt de zanger naar een open twijg. In Tunesië is hij goed te vinden in de Kroumirie bij Aïn Draham.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd; het Europese broedgebied breidt zich al decennia naar het noordoosten uit. Over de aantallen in de Maghreb is weinig bekend; plaatselijk verliest de soort broedplaatsen door het opruimen van struweel en hagen en door intensivering van boomgaarden.

Wetenschappelijke naam

Hippolais polyglotta | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia polyglotta; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hippolais werd in 1827 ingevoerd door Conrad von Baldenstein. Hippolais gaat terug op het Griekse hupolais, een klein vogeltje bij Aristoteles, door Linnaeus verkeerd gespeld; het woord is mogelijk klanknabootsend of gevormd uit hupo 'onder' en laas 'steen'. polyglotta is Grieks, van polus 'veel' en glossa 'tong', en duidt op de veelstemmige zang. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.